26e zondag door het jaar A 2014 preek

28 sept. 2014  (Viering)

Iemand had twee zonen. (Mt. 21,28-32)

Iemand had twee zonen. Aan beiden vroeg de vader om in zijn wijngaard te gaan werken. De eerste zegt neen, en doet later ja; de tweede zegt ja, en doet neen. “Wie van de twee heeft de wil van de vader gedaan?”. Natuurlijk is ‘ja’ doen beter dan enkel ‘ja’ zeggen. Dat spreekt voor zich. Zelfs de hogepriesters en oudsten van het volk tot wie Jezus zich hier richt, kunnen dat niet tegenspreken.

Dit gesprek heeft wel een voorgeschiedenis. De dag voordien had Jezus, op weinig subtiele manier, het hele commerciële gedoe van het tempelplein geveegd en hen toegeschreeuwd: “Dit is een huis van gebed en jullie maken er een rovershol van!” (Mt. 21,12-13). Zo’n optreden vond het tempelbestuur niet kunnen. En toen Jezus ’s anderendaags opnieuw op het tempelplein verscheen en er begon te prediken, gingen ze naar Hem toe om Hem ter verantwoording te roepen: “Mijnheer Jezus, op grond waarvan gingt Gij gisteren zo te keer? Wie heeft u daartoe de bevoegdheid gegeven?” (Mt. 21,23). Waarop Jezus reageert met: “Een ogenblik. Mag Ik eerst iets zeggen? Wat denkt ge van het volgende? Iemand had twee zonen…” De lezing van vandaag.
Wat begint als een onschuldig lijkende parabel, wordt plots een klap in het gezicht van de hogepriesters en de tempelverantwoordelijken: “Ik verzeker u, tollenaars en hoeren komen eerder het Koninkrijk van God binnen dan jullie”. Een uitspraak die Jezus beargumenteert door te verwijzen naar de prediking van Johannes de Doper die zij niet au serieux hebben genomen.
De religieuze leiders die hier de mantel worden uitgeveegd, vertegenwoordigen de groep gelovigen voor wie geloof verkild is tot een systeem van vaste zekerheden. Zij willen de vertrouwde woorden horen, de gebruikelijke tekens en gebaren zien, de vastgestelde hiërarchie bevestigd zien. Zij hebben zich opgesloten achter de muren van ‘zo is het en zo hoort het’. Op die manier staan zij niet open voor de levende God, voor de Geest die waait waar en hoe Hij wil, die zich niet laat grijpen in vastgelegde woorden en tekens, maar die naar jou toekomt, jou aanspreekt bij voorkeur in de persoon van de arme van geest, de treurende, de zachtmoedige, de bescheidene. In dit rijtje hoorde ook Johannes de Doper thuis die predikte ergens in de woestijn vlak bij de Jordaan, en dus ver van Jeruzalem. Door de mond van deze profeet klonk Gods stem die opriep tot ommekeer, tot diepgaande levensvernieuwing. Maar daar hadden de eerwaarde en zeergeleerde heren van de tempel geen oren naar. Want dat zou betekenen dat ze hun veilig gewaand cocoon van vaste rituele zekerheden moesten openbreken om te bouwen aan een samenleving waarin de kleinen met liefde worden aangekeken in plaats van er op neer te kijken zoals ze hun leven lang gewend waren. Zich voor Jahweh neerbuigen in de tempel en ‘Heer, Heer’ roepen mag best, maar is inhoudloos als niet tegelijk de door Johannes de Doper – en nadien door Jezus –  geproclameerde weg van de gerechtigheid wordt bewandeld. “Jullie zijn zoals die zoon die ‘ja’ zegt maar ‘nee’ doet” verwijt Jezus hun.
En het hek is helemaal van de dam als Jezus hun tollenaars en hoeren als voorbeeld onder de neus wrijft, publieke ‘nee’-zeggers tegen God en gebod. Nee-zeggers… waarvan sommigen de prediking van Johannes wel gehoord en zelfs beluisterd hebben. Die misschien lang geaarzeld en met zichzelf geworsteld hebben vooraleer ze zich eraan overgaven en toegaven dat ze het over een andere boeg moesten gooien. En die toen aan den lijve mochten ervaren dat ze alsnog welkom waren in de wijngaard, dat God niet haatdragend is maar een barmhartige en vergevensgezinde vader. Door hun bekering van nee-zeggers tot ja-doeners leefden zij hun medemensen een heel ander Godsbeeld voor dan het Godsbeeld van zekerheden en waarheden dat de tempelheren verkondigden.

Iemand had twee zonen. In wie van beiden herkennen wij ons? Misschien wel in allebei een beetje.
Ja, we zijn bereid om in de wijngaard te gaan werken. Meer nog, wij hebben het gevoel al in de wijngaard te zijn. We zijn immers christenen die werk maken van hun christen-zijn, voor wie de wijngaard des Heren dierbaar is. Anders zaten wij hier niet bijeen in de kerk. Probleemloos antwoorden we biddend ‘ja en Amen’ op wat de Vader ons hier zegt en opdraagt. Maar de vraag kan gesteld worden in hoeverre we ons ook innerlijk laten raken door het evangelie. Lopen wij in de wijngaard rond met de handen in de zakken of gaan we echt aan de slag om in ons dagelijks leven vruchten van liefde en gerechtigheid voort te brengen…

En nog iets. Als we eens diep in ons binnenste kijken – iets wat we niet vaak doen omdat we ons liever op de vlakte houden –  dan zien we daar misschien ook de nee-zeggende zoon. We hebben allemaal onze schaduwzijden. Afgesloten hoekjes van ons ego die immuun zijn voor de Boodschap van het evangelie. De parabel van vandaag leerde ons dat God een geduldige God is, die onze vrije keuzes respecteert en voor onze zwakheden begrip heeft. Een God die ons vergevingsgezind staat op te wachten tot wij bereid zijn die donkere ego-hoekjes te verlaten om ons alsnog in zijn wijngaard te engageren.
Het is lang niet altijd eenvoudig om het evangelische licht tot in onze schaduwhoeken te laten doordringen. Wellicht kan het feit dat wij hier een gemeenschap vormen hierbij een hulp zijn. Elkaar stimuleren, voor elkaar aanstekelijk voorbeeld zijn om de liefde meer kansen te geven in het leven van elke dag. Samen Gods kinderen zijn om zo zelf meer kind van God te worden.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.