25e zondag door het jaar C 2016 p

 18 september 2016                (Viering)

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER (Lc. 16, 1-8; Amos 8, 4-7)

Dit evangelieverhaal doet wel even de wenkbrauwen fronsen. Het past niet in ons beeld van Jezus dat Hij een bedrieger lof toezwaait. In zijn verkondiging staan immers eerlijkheid, openheid en goedheid centraal. En dan plots wordt ons een on­rechtvaardige rentmeester tot voorbeeld gesteld! Het lijkt een valse noot in een hoogstaande melodie…
Dat is een eerste, wat bedrieglijke indruk. Deze parabel klinkt vreemd omdat wij onvoldoende vertrouwd zijn met de joodse cultuur van toen.

In de streek waar Jezus aan het prediken was, was net een schandaal aan het licht gekomen. Een rentmeester, de man bij wie je moest aankloppen als je wat wou lenen of een stuk land wou pachten van een grootgrondbezitter, was in de joodse plattelandsgemeenschap een geziene figuur. Als dan blijkt dat zo’n burger van aanzien geknoeid heeft met wat hem door zijn baas in beheer is toevertrouwd, dan is dat een dankbaar roddelthema. Op dit punt is er in de voorbije 2000 jaar niet zoveel veranderd.
Als Jezus op dat plaatselijk schandaal inspeelt, kan Hij dus rekenen op gespitste aandacht. Jezus gaat echter niet in op de wanpraktijken van de rentmeester, maar op wat de man doet nadat zijn gesjoemel aan het licht is gekomen en zijn ontslag hem boven het hoofd hangt.

Wanneer we horen dat hij de schuldenaars een deel van hun schul­den kwijtscheldt om hen tot vriend te maken, dan klinkt dat in onze oren als verdere opstapeling van bedrog. Ten onrechte. Een rentmeester was in die tijd immers geen zaakbeheerder in loondienst, niet iemand die slechts kon optreden in naam van de eigenaar. Een rentmeester beheerde de bezittingen van zijn heer autonoom in ruil voor een overeengekomen bedrag dat hij jaarlijks aan de eigenaar had af te dragen. De meerwinst die het verpachten en het verhandelen opleverden, waren persoon­lijke inkomsten voor de rentmeester. Wanneer nu, zoals in ons evangelieverhaal, de rentmeester een deel van de schulden kwijtscheldt, dan doet hij dat niet ten koste van zijn heer, maar koopt hij de vriendschap van de schulde­naars met zijn eigen geld. Wat de man hier doet, is mis­schien wel gewiekst, maar niet bedrieglijk. Als onze tekst hem ‘onrechtvaardig’ noemt, dan is dat op grond van zijn praktijken in het verleden, niet op grond van de manier waarop hij zijn toekomst probeert veilig te stellen. En over dit laatste gaat het in onze parabel.

Het getuigt van gezond verstand en realiteitszin dat hij zijn onmiddellijk voordeel terugschroeft in functie van zijn belang op langere termijn. Op grond hiervan stelt Jezus deze man tot voorbeeld en besluit hij zijn verhaal met: “De kinderen van deze wereld gaan onderling handiger te werk dan de kinderen van het licht”. Zoals het in het rijk van de wereld een normale zaak is dat men verder kijkt dan zijn neus lang is, zo horen ook de mensen van het Rijk Gods hun handelen op de toekomst af te stem­men. Niet wat ten goede komt aan het leven nú – dat per definitie voorbijgaand is – moet centraal staan in ons doen en laten, maar wel wat ten goede komt aan ons leven van morgen, ons eeuwig leven bij de Vader.
En deze oproep ligt wel in de lijn van Jezus’ boodschap. Zij klinkt bijna als een refrein doorheen heel het evangelie. Niet alleen de rentmeester was verstandig, ook de man die zijn huis bouwde op de rots, ook hij die bedacht was op de komst van de dief in de nacht, de verstandige bruidsmeisjes die olie voor hun lampen had­den meegenomen, enz. Het specifieke echter van ònze parabel is dat de prioriteit van de toekomst een extra klemtoon krijgt omdat deze geplaatst wordt tegenover het heden dat Jezus bekritiseert. Heel wat mensen zijn fout bezig omdat ze zich fixeren op hun eigen privébelangen en geen oog hebben voor andermans belang.

Diezelfde boodschap hoorden wij ook in de eerste lezing, zij het dat de profeet Amos geen parabel vertelt maar een bedreiging formuleert: ‘Jullie denken slechts aan eigen profijt nú, maar dat betekent verdrukking van de arme en uitbuiting van de misdeelde. Dat betekent dat rijken steeds rijker en armen armer worden. Dat soort daden zal God nooit door de vingers zien!’ Oude woorden die klinken als een eigentijdse analyse. Die oproep tot bekering, die evangelische schreeuw om meer menswaar­digheid, heeft niets aan actualiteit ingeboet. De inzet van ieder van ons voor de ontplooiingskansen van de kanslozen is de allereerste voorwaarde voor het heil, niet alleen voor hún heil maar ook voor óns heil – ons heil op lange termijn.

Christen-zijn is geen zaak van waarheden, maar een zaak van leven. Daar en daar alleen ligt het beslissend criterium van Gods oor­deel. Wij zijn geen verloste mensen indien wij geen verlossing rondom ons uitdragen. Dat is geen vrome praat; dat staat ons simpelweg te doen. Maar het vergt wel strijd. Strijd tegen het eigenbelang dat de grondwet lijkt te zijn van het gebruikelijke intermenselijke, maatschappelijke en internationale verkeer. Deze christelijke strijd wordt niet gevoerd met de wapens in de vuist. Deze strijd wordt gevoerd met lege handen, met open liefdeshanden die geven in plaats van te nemen.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.