25e zondag door het jaar A 2020 p

De werkers van het eerste uur  (Mt. 20,1-16a ; Jes. 55,6-9)     (Viering)

“Ben jij jaloers omdat ik goed ben?”
Staat het woordje ‘goed’ in de slotzin van deze parabel, hier wel op zijn plaats?
Stel dat de landeigenaar aan een arbeider die maar een uurtje gewerkt heeft maar wiens gezin in grauwe armoede leeft, een denarie had gegeven – dat was in die tijd een volle­dig dagloon -, dan was dat zeker een goede daad geweest. Maar in onze parabel wordt nergens vermeld dat die eigenaar een goede reden had om die later opgedoken arbeiders extra dik te beta­len.
Als je als werkgever sommige van je arbeiders twee, drie, vijf keer teveel uitbetaalt, dan is dat geen goede daad, dan ben je niet goed in je bovenkamer. Uiteraard krijg  je dan gedonder met de arbeiders die de hele dag in de brandende zon hebben gezwoegd. Het mag dan al waar zijn dat die krijgen wat werd overeengekomen, maar zij voelen zich wel bedrogen als blijkt dat er in het loonzakje van collega’s die uren minder hebben gewerkt, hetzelfde bedrag zit. In die tijd beston­den er nog geen collectieve ar­beidsover­eenkomsten maar ze wisten wel dat rechtvaardigheid te maken heeft met gelijk loon voor gelijk werk. (Tenminste, voor zover het mannen betrof.)
Niet alleen die arbeiders voelen zich in de zak gezet. Die wijnboer – hij mag er dan nog warmpjes in zitten – werkt ook zichzelf in nesten! Wie wil morgen­vroeg bij hem aan de slag als publiekelijk bekend is geworden dat, wie in de late namid­dag nog een uurtje komen meedraaien, toch evenveel krijgt? Morgen, en overmorgen, en de dagen daarna zit die wijnboer gegarandeerd zonder werkvolk.
Je mag wel goed zijn, maar niet onnozel! Jezus van Naza­reth had op school wat beter mogen opletten tijdens de les econo­mie!

Dat was zowat mijn eerste reactie toen ik, begin deze week, onze evangelietekst las. Mijn tweede was een typische predikantenreflex: Ik kan het toch niet maken om in mijn homilie die parabel simpelweg van tafel te vegen! Dus heb ik onze parabel nog maar eens herlezen.
En wat blijkt? Reeds het allereerste woord zet ons op een heel ander spoor: “Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met een landeigenaar” die rare toeren uithaalt…. Het gaat helemaal niet over de gebruike­lijke economische verhoudingen tussen werkgever en werknemer of tussen werknemers onderling. Het gaat over spelregels in het koninkrijk der hemelen, in de wijngaard des Heren. In dié wijngaard is de discussie over ‘gelijk loon voor gelijk werk’ niet aan de orde. Gods spelregels zijn de onze niet.

Of misschien zijn ze toch niet zo anders. Van Lin­coln, een Amerikaans president van lang geleden,  wordt verteld dat hij tijdens een bergtocht een jonge­tje moeizaam omhoog zag klimmen met een kind van een jaar of drie op zijn rug. “Geef maar hier, zei Lincoln, ik zal het wel dragen. Die last is te zwaar voor jou”. Waarop dat jongetje repliceer­de: “Dat is geen last, dat is mijn zusje!”. Waar de relaties tussen mensen bepaald worden door solidariteit, door liefde, daar wordt de logica van het hart gehanteerd. En dat is een andere logica dan die van weeg­schaal-rechtvaardig­heid. Stel je eens voor dat ouders alleen maar van hun kinderen zouden houden in de mate dat die kinderen braaf hun best doen. Het gros van de kinderen ging dood van ellende. Gelukkig houden ouders van hun kinderen lang voor die iets gepresteerd hebben. Meer nog, als kinderen de goede kant opgaan, dan is dat juist dank zij de steun van liefdevolle ouders.

Veel mensen stellen zich God voor als een rechter met een stuurs gezicht. Als wij ons een leven lang aan zijn richtlijnen hebben gehouden, dan is er kans dat Hij ons aan de hemelpoort opwacht met een gezicht dat wat vriendelijker oogt. Alsof we Gods vriendelijkheid moeten verdienen. Zo is God niet. Hij houdt al van ons, Hij vindt ons al aardig nog vóórdat wij iets hebben gedaan. Zomaar. Omdat Hij een zwak voor ons heeft. Gods liefde moet niet verdiend worden. Zij is geen beloning voor onze inspanningen. Zij is ons bij voorbaat geschonken. Wat ons te doen staat is ‘echo’-zijn van die Godsliefde, haar zichtbaar, haar voelbaar maken door haar verder uit te dragen. Een rasechte christen is geen opgejaagde zwoe­ger in ploegen­dienst maar een eenvoudige doorgever van wat hij eerst ontvan­gen heeft. Om het met het beeld van onze parabel te zeggen: ons loon – God die ons lief heeft – is geen achterafse honorering, het is ons bij voorbaat gegarandeerd. Wie dat ten volle tot zich laat doordringen, gaat van harte aan de slag in de wijngaard des Heren. Dat is geen zwoegen in het zweet ons aanschijns, maar liefde doorgeven aan onze naaste, dichtbij en veraf, en aan de zwaksten het eerst en het meest.

Maar, aldus onze parabel, helemaal probleemloos is dit niet. Het probleem ligt niet bij God. Van zijn kant is alles duidelijk: Hij garandeert het volle pond, God bemint nooit ‘halvelings’, bij Hem is er nooit sprake van meer of minder.
Het probleem ligt aan de kant van de mens. Er zijn er die zich voor Gods liefdesaanbod afschermen en liever werkloos op de markt blijven hangen, anderen kiezen ervoor om als kleine zelfstandigen aan hun eigen heil te timmeren. Wie van hen later met de hangende pootjes van een verloren zoon, zich toch voor Gods liefde wil openstellen, is, tot zijn ver­ras­sing, van harte welkom in de wijngaard. Meer nog, soms laat de eigenaar ook nog een vetgemest kalf aanrukken om de komst van die laatkomer te vie­ren.
Ook Jesaja wist het al. In onze eerste lezing schrijft hij dat God altijd klaar staat om een zondaar die terugkeert, te vergeven. En als een vrome dan protesteert en zegt: “Ik heb heel mijn leven op mijn tellen gepast; en als die ander die maar wat gerotzooid heeft, eventjes spijt betuigt, dan staat hij bij God op slag weer in de gratie. Begrijpe wie begrijpen kan!”. Waarop God rea­geert: “Uw gedach­ten zijn nu eenmaal mijn ge­dachten niet…”.
De arbeiders uit onze parabel, die de hele dag in de wijngaard hebben gewerkt, reageren op dezelfde manier als die vrome uit onze eerste lezing. Ook zij gaan vergelijken, beginnen te rekenen, eisen gelijk­heid, gaan op hun rechten staan. Dat klinkt ook ons bekend in de oren, heel bekend zelfs. We hoeven maar even in de spiegel van ons eigen hart te kijken om er, verscholen in een hoekje, de oudere broer of zuster van de verloren zoon te zien mopperen, kwaad omdat vader goed was voor die ander.
Het probleem van de werkers van het eerste uur is dat zij hun blik fixeren op wat hun collega’s ontvangen en daardoor te weinig oog hebben voor het goede dat de Heer hun in de handen legt. Ons probleem – wij, trouwe kerkgangers van het eerste uur – is dikwijls dat ook wij onze gelovige inzet claimen als een privé-ver­dien­ste, dat wij onze naastenliefde in de hemel gehonoreerd willen zien – voor wat, hoort wat; dat wij op die manier onze inzet en naastenliefde degraderen tot te vergoeden liefde. Ons probleem is dat wij wel eens vergeten dat christelijke inzet en naastenliefde gratis zijn, onbetaalbaar, omdat, wat wij geven, slechts een schamel doorgeven is van wat ons eerst gratuit geschonken werd, nl. Gods liefde die maar in één maat verkrijgbaar is, en dat is een overvolle maat. Want God is liefde.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.