24e zondag door het jaar C 2013

  15 september 2013                                             (Viering)

Omgaan met ‘zondaars’.
(Lc. 15, 1-10)
“De Farizeeën en Schriftgeleerden spraken er schande van en zeiden: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’” (v.2)
Hoe ga je met zondaars om? Daarover gaat het dus vandaag. Hoe gingen de Farizeeën en de Schriftge­leerden daarmee om? En hoe ging Jezus daarmee om? En onvermij­delijk zullen wij ook terechtkomen bij de vraag: Wanneer kan je iemand ‘een zondaar’ noemen?

We beginnen met de eerste en de eenvoudigste vraag: Hoe gingen Farizeeën en Schriftge­leerden met zondaars om?
Fari­zeeën en Schrift­geleerden – de religieuze en maatschappe­lijke leiders van het Joodse volk – waren de bescherm­heren van ‘hoe men zich te gedragen heeft’. Wie zich niet ge­draagt zoals de joodse wet en gedragsregels het voorschrijven, is in hun ogen een ‘zondaar’: tolle­naars, hoeren, onreinen, vreemde­lingen bij­voorbeeld. Die groepen deugen niet, en dus horen zij er niet bij. Zelfverzekerd en overtuigd van hun eigen gelijk trekken Fari­zeeën, Schriftgeleerden en de nette burgerij die zich wel weet te gedragen zoals het hoort, een scheidsmuur op tussen ‘wij, de goeden’ en ‘zij, de slechten’. En de slechten komen er bij de goeden niet in. En je gaat er zeker niet mee aan dezelf­de tafel zitten eten, want samen tafelen brengt immers mensen dichter bij elkaar.

Jezus dan. Hij die zondaars ontvangt en met hen eet, aldus het verwijt van Farizeeën en Schriftgeleer­den.
Jezus gaat om met hen die zij als ‘zondaars’ bestempelen. Hij gaat er zelfs mee aan tafel. Voor Hem horen ze er dus wel bij. Weg scheids­muren. Weg met dat superioriteitsden­ken in termen van ‘wij, de goeden’ en ‘zij, de slechten’.
Maar er is meer. Tussen Jezus en die zogenaamde ‘slechten’ lijkt het zelfs vrij goed te klikken. Een paar voorbeelden kriskras uit de evangelies geplukt. Een van zijn apostelen, Mat­theüs, is een tollenaar; u herin­nert zich de ontmoeting tussen Jezus en die andere tollenaar Za­cheüs; Hij neemt de over­speli­ge vrouw die ze bij Hem brach­ten om te stenigen, in bescherming; herinner u ook die niet-Joodse vrouw die genezen werd door de zoom van zijn kleed aan te raken. Over dit soort mensen zegt Jezus ergens – nota bene terwijl Hij enkele Farizeeën en Schriftge­leerden recht in de ogen kijkt: “Voor­waar, Ik zeg u: tollenaars en ontuchtige vrouwen gaan eerder het Rijk Gods binnen dan jul­lie!” (Mt. 21, 31). In deze uitspraak kun je ‘tolle­naars en ontuchtige vrouwen’ niet zomaar vervangen door ‘zon­daars’, want dat ‘zon­daars eerder het Rijk Gods binnen gaan’ kan Jezus nooit bedoeld hebben. M.a.w. Hij han­teert een andere definitie van ‘zondaar’ dan de Farizeeën, Schriftge­leerden en de nette burge­rij.

Zijn tollenaars, overspeligen en andere randgeval­len dan zonder zonden? Natuurlijk had Zacheüs gezon­digd toen hij zijn zakken vulde met wat hij mensen teveel aan belastingen had aangerekend. Natuur­lijk is overspel zonde. Maar zij met wie Jezus omgaat en met wie Hij aan tafel gaat, zijn mensen die erkennen en betreuren dat ze een scheve schaats hebben gereden. Die mensen – door de goege­meente geschuwd – vinden bij Jezus begrip. Zij voelen zich blijkbaar goed bij Jezus. En Jezus voelt zich goed bij hen.
Wanneer Jezus het woord ‘zondaars’ in de mond neemt, dan heeft Hij het niet over mensen die bij Hem hun toevlucht zoeken, maar over hen die zich in hun zondigheid genesteld hebben. Best mogelijk dat je zulke zondaars aantreft in kringen van tolle­naars en van overspe­ligen. Maar waar je ze zeker kunt vinden – en Jezus laat daarover geen twijfel bestaan – dat is in kringen van hen die zichzelf zelfverzekerd als ‘de goeden’ kwalificeren, die zich maat­schappelijk weten te gedragen zoals het hoort, Fari­zeeën en Schriftge­leerden op kop. Door hun net geordend leventje in eigen kring af te schermen tegen dat zgn. zondig uitschot, zinken rand­groepen steeds dieper weg in de uitzicht­loos­heid van ‘hoe leven en hoe overle­ven?’. Dat hun intoleran­te hooghartig­heid daarvoor mee verant­woordelijk is, zal die nette dames en heren een zorg wezen. Zij zijn slechts geïnte­resseerd in de regels, niet in mensen. Voor hen zijn regels onfeilbare instrumenten om medemensen te klasseren (en onbarm­hartig te declasseren) in ‘wij, de goeden’ en ‘zij, de slechten’.

Dat farizeïsch fundamentalisme klaagt Jezus aan in die twee kleine parabels die we daarnet gehoord hebben. En uiteraard viseert Hij daarin niet alleen de Fari­zeeërs van zijn tijd, maar iedereen – van welke tijd of van welke godsdienst ook – die van de wet, de regels, de koran, Rome heeft zus of zo gezegd, een wapen maken om anderen te veroordelen, af te schrijven. Zij zijn de zondaars die hier van Jezus een bolwassing krijgen.
Zijn bezorgd­heid betreft niet zozeer een schaap dat even een zij­paadje inslaat en wat later uit eigen beweging weer de kudde ver­voegt. Zijn bezorgd­heid betreft het wegge­lopen schaap dat niet uit zich­zelf terug­keert. En dus gaat de herder op zoek “totdat hij het vindt” (v.4). Ook in de parabel over de verloren drachme doorzoekt de vrouw het huis van onder tot boven “totdat zij hem vindt” (v.Smilie: 8).
Tweemaal dezelfde boodschap: God is rusteloos op zoek naar mensen die verloren liepen. Hij wacht niet op bekering. Hij neemt zelf initiatief. Uiteraard is er vreugde als een zondaar zich bekeert. Maar ook wie zich niet bekeert, wordt niet afgeschre­ven; ook de verstokte zondaar gaat Hem ter harte. God houdt van hem, doodge­woon omdat hij mens is, zondaar of niet. Omdat onze God een God van levenden is en niet van doden, gaat Hij op zoek, want Hij wil de dood van de zondaar niet. Dat Hij daarvoor zijn 99 andere schapen even alleen moet laten, is een risico dat Hij erbij neemt. Net als een moeder wiens bekommer­nis allereerst haar zor­genkind betreft, en hoopt dat haar andere kinderen het haar niet kwalijk zullen nemen dat zij even op de tweede plaats komen. Hij gaat op zoek ‘totdat Hij hem vindt’ om – ook al staat de zondaar met zijn rug naar Hem toege­keerd – zijn hand op diens schouder te leggen, in de hoop dat zijn eenzij­dig liefdesinitiatief de scheidsmuur doet af­brokke­len. In plaats van met hooghartige onverschilligheid of uit­sluiting te reageren wanneer wij voor Hem op de loop gaan, wil Hij met zijn trouwe liefde onze bekering verge­makke­lijken.

Liefde die trouw nabij wil zijn. Die heeft het weggelopen schaap niet verdiend. Dat is pure genade. Gods genade. Daarom is de vreugde dubbel zo groot wanneer hij, die verloren was, ondanks alles, wordt terug­gevon­den. ‘Ondanks alles’. Daar gaat het om in de genade. En Hij roept zijn vrienden en buren toe: “Deel in mijn blijdschap want ik heb mijn verloren schaap teruggevonden!”
Gods volk is daar waar mensen delen in “Gods blijdschap over één zondaar die zich bekeert”.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.