24e zondag door het jaar A 2014 preek

14 sept 2014

Vergeving heb je broodnodig (Mt. 18,21-35)

Een parabel als een illustratie van een bede uit het meest christelijke gebed dat we kennen: “Vergeef ons onze schuld zoals ook wij verge­ven aan onze schuldenaren”.
Eigenlijk staat er in het ‘Onze Vader’: “Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld…”. Was het u al opgevallen dat Jezus de bede om verge­ving verbindt met de bede om ons dage­lijks brood? Vergeving hebben wij broodnodig.

Er kan dagelijks aardig wat fout lopen in ons leven, door dingen die we doen, door dingen die we juist niet doen, door onverschilligheid, door ons geroddel over mensen waaraan we een hekel hebben of door ons doodzwijgen van mensen. Diep in ons hart weten we wel dat lang niet alles in orde is. Maar we geven dat niet graag toe, we duwen dat besef liever weg uit ons bewust­zijn. Dat lukt niet al­tijd… God­dank.
Op die schuldbewuste momenten hebben we geen behoefte aan ‘de harde wet van vergelding’. Als al diegenen die wij, openlijk of in het geniep, een hak hebben gezet, ongena­dig op hun rechten gingen staan, ons met gelijke munt zouden betalen, dan gingen we er onder door. Wie zijn eigen kleinheid onder ogen durft zien, zit niet te wach­ten op iemand die onze kleinheid en gemaakte fouten nog eens extra onder onze neus wrijft. Je hebt dan nood aan iemand die je kleinheid wegneemt, aan iemand met een begrij­pend hart. Je hebt behoefte aan ‘de zachte wet van vergeving’ die je doet her­ademen, herleven, opnieuw geboren doet worden.

Vergeving ontvangen, dat heb je broodnodig. Vergeving schenken is voor anderen even broodnodig. Maar ook voor jezelf is verge­ving schenken broodnodig want dat houdt ons leven leefbaar.
“Hoe vaak moet dat gebeuren, vroeg Petrus, tot zeven keer toe?” “Niet tot zeven keer maar tot zeventig maal zeven keer toe”(Mt. 18,21-22). Veel te vaak om het allemaal bij te houden. Trou­wens als je begint te tellen en te rekenen wordt vergeven alsmaar zwaarder en moei­lijker. Je merkt het misschien niet, maar wie begint te tellen, rekent de fouten van gisteren mee. Je houdt ze vast, je telt steeds maar op. Je hebt dan niet echt vergeven.
Aan de noodzaak van vergeven en vergeven worden zal nooit een einde komen. Want het alternatief – onverzoenlijkheid en wrok – is een woekerplant. Daar krijg je een hard hart van, het verhardt onze onderlinge verhoudingen.

Vergiffenis kun je schenken; vergiffenis kun je ontvangen. Maar je kunt geen vergiffenis opeisen. Je hebt er geen recht op. Je kunt alleen zeggen, zoals die verloren zoon, “Vader, ik ver­dien het niet meer dat gij mij als uw kind erkent”(Lc. 15,21). Als God je vergeving schenkt, dan geeft Hij je meer dan waar je recht op hebt.
In de vergeving is God op zijn best. In tegenstelling tot de liefde van mensen, is Gods liefde onbaatzuch­tig; in Gods hart is geen spoor van gewonde trots of ego­centri­sche bitter­heid die zo gemakke­lijk in een ge­kwetst mensenhart blijven voort­woekeren. Hij grijpt niet naar de harde wet van vergelding en veroordeling. Hij staat niet op zijn recht en eer. De vader kan zijn weggelopen zoon zonder verwijt omhel­zen. Die harte­lijkheid, dat grote hart, heelt wonden; en daar­door kon de jongen weer opleven: “Deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden” (Lc. 15,24+­32). Of zoals in onze parabel van daarnet: “De heer kreeg met die dienaar te doen en liet hem vrij, en hij schold hem het geleende geld kwijt”(v.27). Schuld verlamt; maar de vergeving die God je aanreikt, doet leven, werkt bevrijdend, geeft je nieuwe kansen, nieuwe krachten.
Als mensen elkaar van harte vergiffenis schenken, wordt er iets van God in hen voelbaar. Iets van zijn levenwekkende kracht.

Er zit echter wel een ‘maar’ aan vast. God is een en al bereid­heid om vergiffenis te schenken… maar wel ‘op voorwaarde dat.­..’.
De heer schold zijn dienaar een flinke som geld kwijt, maar die dienaar ging ver­volgens een belachelijk kleine som terugei­sen van zijn colle­ga. De heer stond niet op zijn rechten; de dienaar bleef wel ongenadig hard op zijn strepen staan.
Die vlieger gaat niet op, leert ons de parabel. Als uw hemelse Vader tegenover ieder van u vergevensge­zind is, dan moet ook jij je broeder en je zuster van harte vergeving schenken. Gods vergeving moet doorgegeven worden. “En vergeef ons onze schuld, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”. Je medemens vergiffenis schenken, is waarborg en voorwaar­de tot het ver­krijgen van Gods verge­ving.

De ander kunnen vergeven, afstand kunnen doen van het eigen rechts- en eerge­voel, dat is genade. Dat is God die in ons en door ons werkzaam is. Want van­zelfsprekend is het niet, zeker niet voor wie zich gekwetst en gekrenkt voelt.
En toch moeten wij het proberen:
– Vergeven kan immers een hefboom zijn die een ander bevrijdt van zijn terneerdrukkend schuldbesef; die hem openbreekt naar nieuwe toekomst.
– Vergeven is iets weg-geven van jezelf, van je eigen preten­tie. Het is het kwaad dat kankert in je hart, wegsponsen.
Marc Christiaens o.p.
 

 

 

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.