Botsende werelden

Botsende werelden

Het verhaal over de terugvinding van Jezus is geen sprookje over een wonderknaap die de knappe koppen uit de tempel een lesje leerde. Om het op zijn juiste waarde te schatten moet je het lezen tegen de joods-culturele achtergrond van toen.

In Jeruzalem, hét godsdienstige centrum van het Jodendom, werden religieuze feesten intens ge-vierd. Telkenmale trok de hele stad naar de tempel. Wie verderop in het land woonde, maakte eens per jaar, bij voorkeur met Pasen, een pelgrimstocht naar de tempel van Jeruzalem. Voor mannen – vanaf zijn dertiende werd een jongen als volwassen beschouwd – was dat een verplichting. Vrouwen waren niet verplicht, maar gingen wel vaak mee. En niet zelden namen ze ook de kinderen mee op die jaarlijkse voettocht.
Twaalf jaar ginds en toen, is dus lang niet hetzelfde als twaalf jaar hier en nu. Zo’n jongen naderde de huwbare leeftijd en functioneerde reeds betrekkelijk zelfstandig. Het was dus geen klein kind dat verloren achterbleef in de grote stad. De Jezus, die in de tempel zat te luisteren naar het onderricht van de rabbi’s, stond op de drempel van zijn volwassenheid.
Dat allen die Hem hoorden, versteld stonden van zijn inzicht en zijn antwoorden maakt van Jezus nog geen wonderkind. Zoiets wordt wel vaker gezegd van een pientere knaap. Trouwens, toen Maria en Jozef Hem daar tussen de rabbi’s zagen zitten, krulde hun neus niet van trots. Integendeel: ze waren zeer ontdaan, staat er. Daar zat die zoon, waarover zij zich drie lange dagen en nachten dodelijk ongerust hadden gemaakt. En Maria is behoorlijk boos: Kind, hoe kon je ons dit aandoen? Wat waren je vader en ik ongerust toen we je kwijt waren. Jezus’ reactie getuigt echter van weinig begrip voor de pijn van zijn ouders: In hemelsnaam, waarom hebben jullie Mij gezocht?

Lucas laat hier twee vanzelfsprekendheden botsen. Maria’s verwijt Hoe kon je ons dit aandoen? gaat uit van de vanzelfsprekendheid dat kinderen, hoe oud ze ook zijn, zoiets niet behoren te doen. In Jezus’ wedervraag Wisten jullie niet dat Ik bij mijn Vader moest zijn? klinkt het verwijt aan zijn ouders dat zij iets belangrijks over het hoofd hebben gezien, iets dat voor Hem vanzelfsprekend was. Twee werelden die elkaar niet vinden. Zij begrepen Hem niet, schrijft Lucas dan ook.
* * *
Is het verhaal zoals Lucas het vertelt, een juiste weergave van wat daar toen is gebeurd? Ik heb daar zo mijn twijfels over. Even de geboorteverhalen buiten beschouwing gelaten, is dit incident het enige dat Lucas weet te vertellen over de eerste dertig levensjaren van Jezus. Waarom juist dit ene verhaal, en niets anders?

Het mag duidelijk zijn dat Lucas geen biografie van de jonge Jezus wou schrijven. Zijn interesse ligt elders. Hij wil iets vertellen over het mysterie van de persoon Jezus. Hij wil zijn geloofsgemeenschap duidelijk maken: ‘Wij zijn Kerk, wij zijn christenen, mensen begeesterd door Jezus de Christus. Dat Jezus ons zo kan bezielen, komt omdat Hij bezield was door zijn Vader in de hemel, omdat Hij thuis hoorde bij die Vader.’
Zo praten klinkt te abstract voor joodse oren. En dus verpakt Lucas zijn boodschap in een reeks verhalen. Geen feitenrelaas maar geloofsverhalen met steeds dezelfde tweevoudige boodschap: Jezus, doodgewoon mensenkind, en tegelijk ook niet, want Hij is ook een Godskind:
– Als mensenkind verwekt, werd Hij aangekondigd door de engel.
– Als mensenkind geboren, werd Hij geboren uit een maagd, omgeven door zingende engelen, de ster, de wijzen uit het Oosten.
– Zoals iedere eerstgeboren joodse jongen werd Hij opgedragen in de tempel, maar dat ging wel gepaard met grootse voorspellingen door Simeon en Hannah.

In het evangelieverhaal van vandaag is dat niet anders. Het mensenkind dat voor het eerst in de tempel van Jeruzalem komt, is tegelijk ook een Godskind, en dus moet het zich thuisvoelen in het huis van zijn Vader, meer zelfs dan in Nazareth. Dat spanningsveld – mensenkind/Godskind – tekent Lucas uit in de vorm van een klein gezinsdrama, een ouder-kind-conflict: tussen de wereld van de zoon en die van de moeder gaapt een kloof van onbegrip.

Het valt op dat wanneer de evangelisten dit spanningsveld ter sprake brengen steeds weer de figuur van Maria opduikt. Als moeder van Jezus krijgt zij telkens opnieuw hetzelfde signaal. Denk eraan, Jezus is ook een Godskind, en dat zal uiteindelijk de doorslag geven: je zult je kind moeten loslaten omdat het de weg van zijn Vader moet gaan. Die voor haar onbegrijpelijke, want door mensenverstand niet te vatten boodschap, heeft Maria altijd in haar hart bewaard.

De zeldzame keren dat zij tijdens het openbare leven van Jezus ten tonele verschijnt, wordt diezelfde lijn doorgetrokken.
– Op de bruiloft te Kana, wanneer zij signaleert dat de wijn op is, lijkt Jezus haar in eerste instantie af te wimpelen: Mijn uur is nog niet gekomen (Joh. 2,4).
– Toen zij Jezus eens ging opzoeken, reageerde Hij nog vreemder: Mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel (Mt. 12,50). Het zal je als moeder maar overkomen dat je zoon zoiets zegt ‘en plein public’.
– En tenslotte is er de episode onder het kruis. Vooraleer definitief naar de Vader terug te keren zei Hij tegen haar: Moeder, ziedaar uw zoon. Johannes, als apostel de verpersoonlijking van de Kerk op aarde, werd aan haar moederlijke zorgen toevertrouwd. Maria, moeder van de Kerk, en dus, onze moeder. En toen was alles volbracht.

In haar Magnificat zong Maria niet alleen haar bescheidenheid uit, maar vooral ook haar geloof en haar blijvende trouw aan haar Zoon, ondanks alle scheidingspijn.
Bescheidenheid, geloof en trouw, typische moederdeugden, waarvoor u en ik – altijd ook kind, hoe oud we ook zijn – onze moeder en onze Heer te zelden ‘dank u’ zeggen.

Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.