23e zondag door het jaar C 2019 p

8 september 2019                                 (Viering)

Als je mijn leerling wil zijn …
(Lc.14.25-33)

Wat die drommen mensen die met Jezus meetrokken te horen krijgen, klinkt wel erg confronterend. Blijkbaar wil Jezus niet dat iemand Hem achternaloopt zonder goed te weten waarom. Jezus is geen politicus die met verkie­zingsbeloften en mooipraterij zoveel mogelijk volk achter zich wil krijgen. Integendeel, Hij kijkt de mensen in de ogen en spreekt hen aan tot in het hart van hun vrijheid. Hij nodigt hen uit échte leerlingen te worden, Hem na te volgen. Dat is heel wat anders dan achternalo­pen.
Om het onderscheid tussen navolgen en achter­nalo­pen te verduidelijken, gebruikt Jezus wel erg scherpe taal: “Niemand van u kan mijn leerling zijn als hij geen afstand doet van al wat hij bezit, als hij aan intieme familieban­den, ja zelfs aan zijn eigen leven, meer waarde hecht dan aan Mij”. Ik kan me voorstel­len dat nogal wat van die enthousiaste Hem-achterna-lopers beteuterd opkeken. Ik kan me voorstellen dat ook nogal wat trouwe kerkgangers dit niet lekker in de oren klinkt.

Laat het onmiddellijk duidelijk zijn: Jezus doet hier niets af van het vierde gebod ‘Eer uw vader en uw moeder’ (Ex. 20,12). Hij trekt geen streep door wat Hij elders één van de twee voor­naamste geboden heeft genoemd: ‘Heb je naaste lief als jezelf’. Maar wat bedoelt Hij dan wel?

Dat mooie verhaaltje over die moeder met beide handen vol strandzand, dat ik als eerste lezing liet voorle­zen, kan ons mis­schien een eind op weg helpen.
Als je krampachtig je hand samenknijpt, dan glijdt dat zand tussen je vingers weg. Zo maakte die wijze moeder haar dochter duidelijk dat, door je partner als je bezit te be­schouwen, door hem naar je hand te willen zetten, je de liefde die je krampachtig wil vasthou­den, juist doodknijpt, kwijtspeelt. Wie echter zijn hand open­houdt als iemand die wil geven en ont­vangen, mag blijvend genieten van de rijkdom van duizenden glin­sterende zandkorrels. Liefde veronderstelt wederzijds respect, bij elkaar jezelf kunnen zijn, je openstellen voor het waardevolle dat de ander te bieden heeft.

De krampachtig gesloten hand staat symbool voor de bezittermentaliteit, voor de wijze waarop wij geobsedeerd vastgeklon­ken zitten aan ‘mijn’ werk, ‘mijn’ carrière, ‘mijn’ kind schoon kind, ‘mijn’ recht, ‘mijn’ geluk, ‘mijn’ privacy, ‘mijn’ ontplooiing – staat symbool voor alles en iedereen onder controle willen krijgen, alles en iedereen willen reduceren tot wat ik nuttig en voor­delig acht voor mezelf. En het ergste is dat wij ons daar nauwelijks van bewust zijn omdat die ego-mentaliteit bon ton is in onze westerse samenle­ving die dit individualis­tisch denken steeds meer institutio­nali­seert.
Met dat ego-denken kom je wel een heel eind… zolang je vitaal bent en in staat om zelf initiatief te nemen bij het leggen van contacten en het aan­gaan van relaties. Maar ben je oud, ben je zwak, arm, aan het ziekbed gekluis­terd, of iemand met weinig con­tactvaar­digheid, dan kun je, dank zij dat hoog­gepre­zen indivi­dualis­me, rustig verkom­meren in je eenzaamheid. En als je het daar echt niet meer ziet zitten, krijg je van de gezonde samenleving de toelating om gebruik maken van je ultieme recht op zelfbe­schikking: eutha­nasie.
Waar de woorden ‘ik’ en ‘mijn’ domineren daar is geen open hand vol glinsterende ­korrels van onbe­vangen verwon­dering voor mensen en dingen rondom mij, van liefdevolle aandacht voor het geluk, voor de beperkte ontplooiingsmogelijkheden van anderen. Zolang ik vastzit aan bezitten en hebben, aan alles wat ik ben of moge­lijk nog kan worden, is wie en wat ik niet kan bemeesteren, voor mij een concur­rent: die anderen, het algemeen belang. En ook de boodschap van Jezus van Nazareth.

* * *
Onder ons gezegd en gezwegen, inzake zelfontplooi­ing scoorde Jezus wel erg slecht. Gezien vanuit dat oogpunt was zijn optreden één grote mislukking: niet be­grepen door zijn eigen volgelin­gen, verworpen door het volk, veracht door de pries­ters. En toen het steeds duidelij­ker werd dat de weg die Hij ging, letter­lijk en figuurlijk, een doodlopend straatje was, bleef Hij koppig doorgaan. Hij bleef conse­quent op het ‘verkeerde’ paard wedden, op hen bij wie geen eer te behalen was: de kleinen, de zwakken, de margina­len. Om er te kunnen zijn voor hen zette Hij alles op het spel: zijn familie­banden, zijn bezit, zijn toe­komst, tot en met zijn eigen leven. ‘Gezond verstand’ was bij Jezus soms ver te zoeken. Maar ander­zijds moet je toegeven dat er over Hem in het evangelie ook mooie dingen staan. Die mag je niet overboord gooien…

Plots draait Jezus – die hier voor mij staat – zich om, en kijkt mij en alle ik-denkertjes die in zijn kielzog zo lopen te redeneren, diep in de ogen. “Neen”, zegt Hij, “met mijn evangelie wordt er niet gesold; je selecteert daaruit niet wat je mooi vindt of in je kraam past. Niet jíj bepaalt wat je met het evangelie doet, maar laat het evangelie bepalen wat jij behoort te doen. Als je je niet losmaakt van je bezittermentaliteit, de ego-tripperij, de krampach­tig geslo­ten hand waaruit solidaire medemenselijk­heid is weggeperst en weggeknepen, als je dat niet wil of kunt losla­ten, dan kun je mijn leerling niet zijn. Dan mag je gaan. Aan opportunistische meelopers heb Ik niets. En ook jij hebt er niets aan.”
“Navolgers zijn wel welkom. Maar weet wel dat wie écht voor Mij kiest, niet ontsnapt aan offer en kruis. Niet dat mijn Vader zo harteloos is om je van buitenaf een kruis op de schouders te leggen. Kruis en offer zijn het onvermijdelijke gevolg van Mij navolgen in een liefdeloze en op profijt bedachte samenle­ving. Want wie, zoals Ik, opkomt voor anderen, en als wapen slechts consequente liefde hanteert, krijgt onvermijdelijk klappen te incasseren.
Weet dus goed waaraan je begint! Wie een toren wil bouwen of een militaire expeditie overweegt, gaat eerst zitten rekenen en zijn kansen afwegen. Je kunt daar maar beter een voorbeeld aan nemen wanneer je als simpele sterve­ling overweegt het te willen opnemen voor het recht van de kleine mens en voor een wereld die voor iedereen leef­baar is. Een samenleving die het ‘ik’ tot afgod heeft gepromoveerd, zit op zulke soli­dari­teits­acties niet te wachten! Bezin dus, eer je begint. Want écht mijn leerling willen zijn is een gigan­tisch liefdes­avon­tuur dat je onder­weg bloed, zweet en tranen kan kosten.”
Marc Christiaens o.p.

Eerste lezing
Er was eens een jonge vrouw.
Op de vooravond van haar huwelijk
stond ze bij haar moeder en keek naar de zon
die over het strand onderging in volle zee.
Toen vroeg ze haar moeder:
“Moeder, mijn vader houdt van je
en is je altijd trouw gebleven.
Wat moet ik doen
opdat mijn man ook altijd van mij zal blijven houden?”

De moeder zweeg en dacht even na.
Toen bukte ze zich en vulde elke hand met zand.
Zo kwam ze bij haar dochter staan.

Zonder verder iets te zeggen,
knelde zij de vingers van één hand krampachtig om het zand.
Het zand glipte eruit.
Hoe meer zij haar vuist balde,
hoe sneller het zand eruit weggleed.
Toen deed ze haar hand open,
er kleefden nog slechts enkele vochtige korreltjes aan haar handpalm.

Maar haar andere hand had de moeder open gehouden als een kleine schaal.
Daar bleven de zandkorrels liggen.
Ze schitterden in het licht van de zon.

“Dit is mijn antwoord”, zei de moeder zacht.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.