23e zondag door het jaar B 2015 p

6 september 2015   (Viering)

Spreekverbod voor wie? (Mc.7,31-37 ; Jes.35,4-7a)
Steeds opnieuw blijkt dat Jezus partij kiest voor wie geen stem in het kapittel hebben. Voor hen opent Hij nieuwe per­spectieven. Positieve discriminatie heet dat: extra kansen creëren voor wie nauwelijks kansen hebben. In die optiek moet ook dit genezingsverhaal gelezen worden[1].

Mensen moeten kunnen luisteren naar elkaar; ze moeten kunnen horen wat anderen te zeggen hebben; en zelf moeten ze kunnen zeggen wat zij te zeggen hebben. Door te communiceren stimule­ren mensen elkaar, bloeien mensen open, groeien ze tot wat een mens kan zijn: een zelfstan­dig denkend iemand. Mensen zijn fundamenteel sociale wezens.
Wie doof is, wie niet kan spreken, vereenzaamt. Tegen zo’n man zegt Jezus: “Effata, ga open”, open de vensters van je oren en je hart; laat het vreemde en het nieuwe binnenstro­men als een verfrissende wind; ga met anderen relaties aan en wordt op die manier hun gelijke; luister naar hen, praat met hen, leer van hen, en zij kunnen ook leren van jou. In één woord: word een mens zoals de Schepper de mens gewild heeft. Zo maakt Jezus Gods droom over mens en wereld waar en bouwt Hij, beetje bij beetje, aan de realisatie van Gods Koninkrijk op aarde.

Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs. Hij die aan mensen het vermogen tot spreken geeft, legt de ooggetuigen spreekverbod op! Public relations is blijkbaar niet aan Jezus besteed. Had Hij, om zijn goede zaak te dienen, niet beter kunnen zeggen: ‘Wat jullie hier hebben zien gebeuren, verkondig dat van de daken!’. Nee: “Hij gebood hun het aan niemand te zeggen”. Waarom dat spreek­verbod?

Jezus is bang dat die ooggetuigen opnieuw – want het was al eerder gebeurd – dat wonder alleen maar zouden zien als een stunt waarvoor ze graag applaudis­seren en Hem op een voetstuk plaatsen… in de hoop op nog meer van dat: nog meer gene­zin­gen, nog meer gratis uitde­len van brood en vis, en wie weet wat Hij nog alle­maal uit zijn mouw schut. Jezus is bang dat ze voor Hem promotie zullen ma­ken enkel uit sensatie­zucht en eigenbe­lang. Hij is bang dat de mensen ná dit wonder nog even op zichzelf betrokken zullen zijn als daarvoor. Dat hun eigen horen, spreken en zien er niet beter is van geworden. En daar is het Jezus om te doen. Zijn genezin­gen – hier: een door doofheid vereen­zaamde mens uit zijn isole­ment ha­len – zijn geen stunts maar openbaringen, voorte­kens van het komende Rijk van God. Hij wil zichtbaarheid geven aan wat Jesaja destijds geprofeteerd had: “Houd moed! God komt u redden! En dan worden de ogen van blinden, en de oren van doven geopend. Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stom­me. Het verschroeide land wordt een meer; de dor­stige grond wordt een water­rijke fontein”. Woorden die de omstanders bekend in de oren klonken omdat zij ze van kindsbeen af hadden horen voorle­zen in de synagoge. Woorden die ze blijkbaar nooit ècht begrepen heb­ben. Zij hebben niet begre­pen dat in Jezus, die doven laat horen en stommen laat spre­ken, God mensen reddend tegemoet treedt.
En dus zegt Jezus dat ze voorlopig maar beter hun mond kunnen houden, in de hoop dat ze twee keer nadenken, in de hoop dat ze tot het inzicht komen dat wat Jezus doet en waarvan zij getuigen zijn, geen stunt is maar een stukje realisatie van wat God bedoelde en droomde toen Hij de mensenwe­reld schiep en nog steeds schept.

Niet alleen de omstanders in Jezus tijd hebben die woorden van Jesaja horen voorlezen, ook wij, in onze eerste lezing. Ook ons legt Jezus het zwijgen op als wij de profeti­sche betekenis van zijn optreden, de diepere zin van de tekens die Hij verrichtte, niet juist weten in te schatten.
Maar in het verleden en ook nu zijn er ook altijd mensen die de draagwijdte van Jezus’ wonderen wèl ten volle begrijpen. Mensen die blijven vasthouden aan het visioen van het koninkrijk Gods dat komende is in deze wereld. Ze houden hun ogen gericht op een echt menswaardige wereld, waarin elkeen kan openbloeien, waarin elk schepsel tot zijn recht komt.
Ook vandaag de dag zijn er die de ogen van blinden openen: ze zijn medemensen nabij die het niet meer zien zitten en openen voor hen nieuwe perspectieven. Ook vandaag zijn er onder ons die de tongen van stommen losmaken: vrijwilligers die vreemdelin­gen de Nederlandse taal leren. Ook van­daag zijn er mensen die geloven dat in de woestijn rivieren kunnen ontspringen: in de derde wereld graven ze waterputten en instal­leren pompen waarmee dorre grond bevloeid wordt en er gezaaid en geoogst kan worden. Ook vandaag zijn er mensen die geloven dat oorlog eens zal moeten wijken voor vrede: bv. zij die het onderwijsproject voor Syrische vluchtelingenkinderen ondersteunen bijvoorbeeld – ik verwijs naar het project van Caritas International dat deze week gelanceerd werd in een extra editie van Kerk & Leven.
Zulke mensen hebben zich laten aanspreken door dat wonderwoord van Je­zus – ‘Effata’, ‘Bloei open’. En van daaruit zijn ze aan de slag gegaan. Wat ze doen is lang niet altijd spectacu­lair, maar wel evangelisch. Want zij geven de Effata-boodschap door: ze laten kleine en onmondige mensen openbloeien. Op hun manier bouwen ze scheppend mee aan een wereld zoals God die wil.

Soms verheffen zulke mensen in het openbaar hun stem. Ik denk niet dat het spreekver­bod van Jezus voor hen geldt. Zij zien, horen en spreken precies zoals Jezus het graag wil als ze pleiten voor positieve discriminatie voor wie onmondig is of onmondig wordt gehou­den. De meerder­heid van de goegemeente zal hun dat lang niet altijd in dank afnemen. Ze worden versle­ten voor idea­listen die niet met beide voeten op de grond staan.
Laten we hopen en bidden dat die mensen nooit de mond worden gesnoerd. En wie weet – misschien kan hun inzet voor Gods Effata-droom ook ons inspireren.
Marc Christiaens o.p.

    [1] In dit wonderverhaal maakt Jezus gebruik van ver­schil­lende therapeuti­sche riten: oren aanraken, tong aanraken met speeksel, zuchten of blazen, en een ‘magisch’ woord spre­ken “Effa­ta” dat door Marcus wordt vertaald als “Ga open”. Jezus gaat hier te werk zoals toen ook andere magische wonderdoeners te werk gingen in het heidense, sterk door de Griekse cultuur beïnvloede Decapo­lis (een unie van tien steden ten oosten van het meer van Galilea, die ooit deel uitmaakten van het Beloofde Land, maar zich na de balling­schap afscheurden van het gezag van Jeruzalem. In 63 vóór Chris­tus kreeg Decapolis van de Romeinse verove­raar zelfbe­stuur.). Later werd dit ritueel door de Kerk overge­nomen bij de duiveluitdrij­vingsritus die – even het geheu­gen van de ouderen onder ons opfrissen – tot enkele decennia gele­den, een onderdeel vormde van het doopritu­eel.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.