22e zondag door het jaar B 2018 p

2 sept. 2018           (Viering)

Jezus over de Wet
(Mc. 7,1-23; Deut. 4,1-8)

In beide lezingen gaat het over het belang, de betekenis van de joodse Wet. ‘Wet’ (met hoofdletter), de Thora, staat hier voor het geheel van voorschriften en gedragsregels, bedoeld als rich­tingwijzers om God en het welzijn van mensen zo goed mogelijk te dienen. Mozes was er de grondlegger van. Hoe fier het joodse volk op zijn Wet was, blijkt uit de laatste zin van onze eerste lezing: “Geen andere grote natie heeft zulke volmaakte voorschriften en bepalingen als onze Wet”.
In de loop van de tijd werden aan die Mozeswet heel wat bepa­lingen over alles en nog wat toegevoegd. Soms zo detail­listisch dat men van goede huize moest zijn om alle leefregels en leefregeltjes te kennen, laat staan ze na te leven. Ook die werden – met terugwer­kende krach­t – aan Mozes toege­schreven. Tot die laatste categorie behoorden o.a. de hygiëni­sche voorschriften over handen wassen en het af­spoe­len van vaatwerk waarvan sprake in onze evange­lietekst.

Farizeeën en schriftgeleerden waren niet alleen kenners van de Wet, zij hielden ook toe­zicht op de naleving ervan. Als zij Jezus erop aanspre­ken dat zijn leerlingen zich niet houden aan wat het fatsoen en de traditie voor­schrijft, dan doen ze gewoon hun werk. Het ver­baast dan ook dat Jezus, door die banale opmerking, zich zo vreselijk in zijn wiek geschoten voelt. Publiekelijk de alom gerespecteerde religieuze leiders uit­schelden voor ‘huiche­laars’, is niet min. Dat laat vermoeden dat er meer aan de hand is.

Geen elite-God
Jezus en de meeste van zijn leerlingen waren afkomstig uit het dorre, dun bevolkte Galilea waar het hard labeuren was om de eindjes aan elkaar geknoopt te krijgen. Men had er wel weet van de Wet van Mozes maar van de vele detailbepalingen lag men niet echt wak­ker. Trou­wens, wie een half uur of meer moet lopen tot de dichtst­bijzijnde bron, vindt water te kostbaar om elke keer opnieuw ritueel de handen te wassen vooral­eer iets in de mond te stop­pen. Met water moet je zuinig omspringen. Dat is nodig om te drinken en te koken.
Jeruzalem – met de Farizeeën op kop – dat zich wel scrupuleus hield aan de letter van de wet, keek met minachting neer op dat platte­lands­volk uit het noorden – in hun ogen halve ongelovigen.

U voelt het aankomen. Achter de discussie over al dan niet wassen van de handen schuilt een sociale kwestie. Jezus verdraagt het niet dat de hoge heren uit Jeruzalem maatschappelij­ke verschillen opblazen tot religieuze graadmeter; Hij verdraagt het niet dat de burge­rij, die zich niet hoeft te bekomme­ren om de dagelijkse strijd om te overleven, God voor zichzelf reserveert op basis van ‘wij houden ons wel aan de wetten en regels’. God is er voor ieder­een – stelt Jezus, en reageert daarmee tegen een religie die discrimineert, die onder­scheid maakt tussen mensen op basis van sociale criteria die niets met geloof te maken hebben. (In de geest van het evangelie mag je die uitbreiden naar alle reli­gieus-neu­trale criteria: huids­kleur, ge­slacht, seksuele geaardheid, ras, cul­tuur, celibatair dan wel gehuwd.) Jezus neemt het op voor de eenvoudi­gen met hun vuile han­den.

De Farizeeën en de Wet         
Maar er is ook nog een tweede, veel be­langrijker kwestie waar­om Jezus zo fulmi­neert.
De Farizeeën en schriftgeleerden verabsoluteerden het belang van wetten en regels. Doen wat is voorge­schre­ven, was volgens hen de enige manier om God welgevallig te zijn en zich te verzekeren van Gods zegeningen. Wie leeft volgens de letter van de Wet, heeft als het ware God aan zich verplicht. Wie dat niet doet, kan het bij God schudden. Voor wat, hoort wat.
In de geloofsvisie van de Farizeeën zijn voorschriften en gedragsregels dwang­mid­delen geworden: wie God wil vinden moet zich zus en zo en niet anders gedra­gen. En omdat die regels zo talrijk en ingewik­keld waren, leefde de vrome jood voortdurend in angst. Stel maar eens dat je onge­wild een of ander voorschrift over het hoofd zou zien… dan zou God je de rug toekeren!

Jezus en het hart
Tegenover die farizeïsche boodschap van dwang en angst, poneert Jezus zijn boodschap van bevrijding. Slaafse trouw aan de Wet, is voor God niet beslissend – stelt Hij. Wetten en voorschriften hebben slechts oog voor de buitenkant, rege­len het uiterlijke gedrag. Jezus citeert Jesaja, volgens wie God gezegd had: “Wet­aanbidders eren Mij met hun lippen of hun handen of hun voeten. Het heeft geen zin Mij op die manier te eren als niet tegelijk uw hart bij Mij is”. Wetten en regels zijn niet overbodig: het zijn hulpmid­delen die het verkeer tussen God en mens, en tussen mensen onderling in goede banen helpen leiden. Maar waar het bij God uiteindelijk op aankomt, is niet: ‘hou ik mij nauwgezet aan de voorschriften?’ maar: ‘waarom doe ik het? vanuit welke ingesteldheid?’ God is geïnteres­seerd in wat binnenin ons leeft, in wat er in ons hart omgaat. Onze God heeft ons immers hart-stochte­lijk lief.
Zich houden aan de regels – en dat geldt ook voor kerkelijke wetten en bepalin­gen – kan schone schijn zijn, een façade die een vuil­hoop van gemeenheden verbergt. In onze evangelietekst noemt Jezus bij wijze van voorbeeld er een twaalftal op. Wie wat is voorgeschre­ven niet aankan, is niet noodzakelijk een zondaar; misschien is het iemand waar­over Gods barmhar­tigheid zich ontfermt. Ik denk aan die man die veel te vroeg zijn vrouw verloor, die God onrechtvaardig­heid verwijt en sindsdien geen voet meer in de kerk zet. Zo iemand moet je niet proberen opnieuw de zondagsmis in te praten. Die man heeft medemensen nodig tegen wie hij zijn ver­driet, zijn twijfel en zijn opstan­dig­heid kan uit­schreeu­wen, zijn hart kan uitstor­ten. En naar die taal van hart luistert God van harte.
Wat voor zin heeft het ’s zondags naar de kerk te gaan louter uit plichtsgevoel? Is het niet beter uit vrije wil te komen om hier mensen te ontmoeten met wie je je geloof als ge­meen­schap wil beleven, om hier gestalte te geven aan je ver­bonden­heid met God, om hier je geloof te komen voeden?
En wat moet God denken van mensen die, in naam van de waar­heid van kerkelijke dogma’s, hun medemensen verketteren?

Wetten, voorschriften, bepalingen. Goed dat ze er zijn. Maar hun zin en betekenis wordt pas echt duidelijk als ze onderge­schikt blijven aan Gods voorschrift van de liefde. In naam van die liefde veroordeelt Jezus elke vorm van farizeïsme.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.