21e zondag door het jaar A 2014 preek

24 aug. 2014 (Viering)

Het Petrusambt (Mt. 16, 13-20 + Jes. 22, 19-23)

“Jij bent Petrus; op die steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen”. Een tekst die – uiteraard in het Latijn – gebeiteld staat hoog in de binnenkant van de koepel van de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Een tekst ook die in het verleden vaak misbruikt werd als zogenaamd ‘bewijs’ dat Protestan­ten, Anglicanen en Orthodoxen die het gezag van de paus van Rome niet erken­nen, niet tot de ware Kerk van Christus zouden behoren.
  [Even terzijde: Die andere christelijke religies leven vanuit dezelfde Bijbel als de katholieken en kennen  dus ook dit aanstellingsverhaal. Dat er een breuk met Rome gekomen is, heeft zijn historische redenen. Alle partijen, ook de katholieken, zijn daaraan medeschuldig. De oecumenische gesprekken op het hoogste niveau leren dat bv. de Anglicanen en Orthodoxen niet ongenegen zijn om de paus van Rome als opperherder te herkennen. Maar zij hebben grote problemen met de centralistische invulling van het pauselijk gezag. Dat heeft uiteraard niets met ons Bijbels aanstellingsverhaal van doen. Ook in de katholieke wereld is men tot het besef gekomen dat men een onderscheid moet maken tussen de aanstelling van Petrus en de manier waarop het Petrusambt in feite wordt ingevuld. Destijds schreef paus Johannes-Paulus II in zijn encycliek ‘Una Sancta’, dat hij bereid was om de inhoud van het pausschap ter discussie te stellen als dat zou kunnen bijdragen tot de eenheid onder alle christenen. Een beloftevolle aanzet voor een gesprek ten gronde maar…, voor zover ik weet, is dat gesprek nog steeds niet van de grond gekomen.]
In die sfeer van strijd en discussie ging dit Jezuswoord een eigen leven leiden, los van zijn Bijbelse wortels. Ik wil vandaag proberen dit verhaal terug te ­plaatsen in zijn oorspronkelijke context.

Wellicht moet u de tekst een paar keer aandachtig lezen om er achter te komen dat, wat op het eerste gezicht één verhaal lijkt, in feite twee los van elkaar staande teksten zijn, door onze evangelist aan elkaar gelast. In de eerste vraagt Jezus aan zijn leerlingen: “Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?” En vervolgens: “Wie ben Ik volgens jullie?”. Petrus, als spreek­buis van de groep, antwoordt: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God”.
Het tweede verhaaltje is een soort mini-tête à tête-gesprek tussen Jezus en Petrus, waarin Petrus wordt aangesteld tot hoofd van de toekomstige Kerk. De andere leerlingen zijn hiervan de zwijgende getui­gen.
[Even terzijde: Mattheüs heeft beide verhaaltjes aaneen gebreid door de promotie van Petrus voor te stellen als een soort ‘belo­ning’ omdat hij op Jezus’ vraag “Wie ben Ik volgens jullie?” ant­woord­de: “U bent de Messias”. Petrus zei dat echter niet uit eigen naam maar als woordvoerder van de hele apos­tel­groep. Moest Petrus daarvoor ‘beloond’ worden met een aanstelling tot ‘eerste onder de apostelen’?]
In de evangelies van Marcus en Lucas vinden we wel het eerste verhaaltje terug, maar niet het tweede. Onderlinge verschillen tussen de evangelies komen wel vaker voor. Toevoegingen of weglatingen hebben soms te maken met de persoonlijke interesse van een evangelist, maar ze kunnen ook te maken hebben met het publiek tot wie de evangelist zich richt. En dat is hier het geval.

Zowat alle grote Bijbelspecialisten zijn het erover eens dat Jezus nooit echt een Kerkinstituut heeft opgestart en dus evenmin Petrus officieel tot eerste paus heeft gepromoveerd. Het gaat hier om een toevoeging van Mattheüs. De vraag is dan natuurlijk waarom die zo’n  aanstellingsverhaal Jezus in de mond legt.
Petrus, die na Jezus’ dood zijn standplaats in Rome had, gold feitelijk als de eerste onder de apostelen. De meeste kerkgemeenschappen aanvaardden dat als vanzelfsprekend. Niet in de kerkgemeenschap van Jeruzalem. Daar was een strekking die vond dat het primaatschap aan de bisschop van Jeruzalem toekwam. Jezus had immers niet in Rome maar in Jeruzalem zijn Boodschap verkondigd; Hij was daar ook gestorven en verrezen. Dààr dus had de Kerk haar wortels.
Mattheüs, zelf lid van de kerk van Jeruzalem, was het daar niet mee eens. Hij verdedigde de stelling dat het primaatschap geen kwestie is van plaats (Jeruzalem of Rome) maar van persoon: Petrus was de voorganger van de apostelgroep. Dat was reeds in Jezus’ tijd zo gegroeid. Mattheüs gaf zijn standpunt nog wat extra gewicht door te zeggen dat Jezus dat uitdrukkelijk zo gewild had. En toen hij zijn verkondiging te boek stelde, zo’n halve eeuw na Jezus’ dood, nam hij dat aanstel­lings­ver­haal daarin op.

De aanstellingsformule die hij gebruikt, klinkt in onze oren nogal vreemd. Toch schudde Mattheüs die niet zomaar uit zijn mouw. Hij is zorgvuldig gekozen. De tekst van onze eerste lezing speelt daarin een belang­rijke rol. Jesaja zegt daar namens God aan Shebna dat hem de post van tempeloverste wordt ontnomen omdat hij zijn functie voor eigen profijt heeft misbruikt. Hij zal opgevolgd worden door Eljakim. Jesaja kondigt dat aan als volgt:
“De sleutel van Davids huis leg ik op de schouders van Eljakim;
wat hij opent, kan niemand sluiten; wat hij sluit, kan niemand openen.
Ik zet hem vast, een pin in een stevig stuk muur.
Hij wordt een luisterrijke zetel voor Gods huis.”
Vergelijk die woorden met wat Mattheüs – zowat 700 jaar later – Jezus tot Petrus laat zeggen:
“Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen;
wat je op aarde bindt, zal ook in de hemel gebonden zijn;
wat je op aarde ontbindt, zal ook in de hemel ontbon­den zijn.
Jij bent de steenrots waarop Ik mijn kerk zal bouwen.”
Op wat woordaanpassing na, dezelfde inhoud, zelfs dezelfde zinscon­structie.

Elk lid van de joods-christelijke gemeenschap van Jeruzalem kende de woorden waarmee Eljakim tot tempeloverste was aangesteld. Want de joden waren die door de eeuwen heen blijven gebruiken als aanstellingsformule om iemand tot reli­gieus ambts­drager te benoemen. Daarvan maakt Mattheüs dus een christelijke variante en legt die Jezus in de mond.
[Even terzijde: Petrus wordt hier benoemd tot ‘primus inter pares’ onder de apostelen, eerste onder gelijken. Dat is geen pausschap in de huidige betekenis van het woord. In de eerste eeuwen van het christendom beschikte elke kerkgemeenschap over een grote autonomie. Vanaf de derde eeuw begonnen de bisschoppen van Rome, met verwijzing naar het Mattheüsevangelie, hun positie op te waarderen. Pas in de vijfde eeuw werd de bisschop van Rome bekleed met universeel gezag in de kerk en werd hij met ‘paus’ (= papa) aangesproken. De Kerk was toen al staatskerk en kreeg een uitgewerkte gezagsstructuur waarin de positie van de paus vergelijkbaar was met de positie van de keizer in het Romeinse Rijk.] 
Die aanstellingswoorden drukken de nieuwe ambtsdrager op het hart dat hij zijn ambtelijke macht en verantwoordelijkheid, hem van Godswege geschonken, dient aan te wenden ten dienste van de gemeen­schap. Dat geldt niet enkel voor tempel­oversten en pausen, maar voor elkeen die in Kerk of samenleving een beleidsfunctie be­kleedt.

Mooie woorden ten spijt, kan het in de praktijk met die ambtsuit­oe­fening toch wel eens mis lopen. Ook de aanvankelijk godvrezende Eljakim had na enige tijd meer oog voor zijn privébelangen dan voor het alge­meen belang. En Jesaja zal ook ditmaal zijn kritiek niet sparen. Met Petrus was het evenmin altijd koek en ei. In de evangelielezing van volgende week krijgt hij uit de mond van Jezus zelfs te horen: “Ga weg Satan, want je bent voor Mij een struikelblok!”. Om nog maar te zwijgen over zijn drievoudige verloochening.
Het is in deze tijd niet anders. Op elk niveau, van hoog tot laag, van Rome tot Schilde, kun je ambtsdragers tegenko­men die zich vergissen, die hun taak niet aankunnen of die hun machts­po­sitie misbruiken. Individuen, groepen van mensen of het algemeen belang zijn daarvan de dupe. Alerte waakzaamheid kan dat voorko­men, corrigeren of een halt toeroepen. Kritiek kan gezagsuitoe­fening terug op het juiste spoor zetten. Gezag dat zijn dienstbaarheid aan de gemeenschap ernstig neemt, moet daarvoor dan ook open oog en oor hebben. Ook van kerkelijke gezagdragers mag je die luisterbereid­heid verwachten.

Ruimte gunnen aan kritische geluiden is niet hetzelfde als de deur openzetten voor anarchie. Kritiek is immers ook aan beperking onder­worpen, dezelfde beperking waaraan gezags­uitoefening onderworpen is. Voor beide geldt dezelf­de norm: Klinkt, in wat gezegd of gedaan wordt, wèrkelijk de geest van het evangelie door? Heeft men, in alle eerlijkheid, het belang, het heil van anderen op het oog? Wie gezagsdragers in de uitoefening van hun ambt wil bekriti­seren – en dat kan dus heel terecht zijn – is dus aan zichzelf ver­plicht zijn kritiek te toetsen aan de geest van het evange­lie. Eerlijke, opbouwende kritiek is niet pretentieus, maar wordt ingegeven door dienstbaarheid aan wat voor het volk van God goed is. Niet alleen gezagsdragers, maar ook critici van het gezag moeten Jezus recht in de ogen kunnen kijken en zich herinneren dat Hij ooit, in een wat sarcastische bui, gezegd heeft: “Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen”.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.