21e zondag door het jaar C 2016 p

 21.08.16                          (Viering)

Er zijn eersten die laatsten zullen zijn.
(Lc. 13, 22-30)
Wat iemand, onderweg naar Jeruzalem, aan Jezus vroeg, had net zo goed uit onze mond kunnen komen: “Zijn het er veel of maar weinig die zullen gered worden?”. Achter die vrij onschuldig klinkende vraag schuilt een flinke dosis nieuwsgierig­heid: ik zou wel eens willen weten wie ik in de hemel zoal tegen het lijf zou kunnen lopen. En wie niet.
Prompt komt het antwoord: “Span je maar in tot het uiter­ste, want eens gaat de deur zonder pardon op slot. En dan mag je staan roepen en schreeu­wen en kloppen zoveel je wil… Hoepel op. Ik ken u niet!”. En alsof die rauwe reactie niet volstaat, doet Jezus er nog een ferme schep bovenop: “Ik weet wel dat jullie zullen proteste­ren en zeg­gen: ‘We zaten geregeld samen met U aan tafel en kwamen naar uw prediking luiste­ren… hoe kunt Ge ons dat aandoen?’ Maar ’t zal niet baten: Hoepel op; Ik ken u niet!”.

Met de toehoorders van toen, krijgen ook wij de volle lading te slikken, wij die hier samenzijn om met Hem te eten en te drinken, en naar zijn Woord te luisteren. Om koude rillingen van te krijgen. Een toemaatje: “De deur naar de redding is eng; velen zullen zich tevergeefs in­span­nen”. Om depres­sief van te worden. Op het einde wordt het écht gortig: Terwijl menigeen van ons zich tevergeefs door de nauwe deur in de hemel probeert binnen te wringen, “zullen velen van oost en west, van noord en zuid wél aan tafel mogen in het Koninkrijk van God”. Voor hen geen nauwe deur maar wijd openstaande poorten. Geraak er maar wijs uit!
Misschien vraagt u zich af: wat zit ik hier nog te zitten als ik negen kansen op tien toch niet in de hemel geraak, en hier dus mijn tijd en mijn leven zit te verknoeien…
Mocht u zin hebben om op te stappen, vraag ik nog vijf minuutjes van uw geduld.

De Jezusvolgelingen van toen waren ervan overtuigd – Jezus noemde zich­zelf toch de Weg, de Waarheid en het Leven – dat zij op de goede weg zaten, in het spoor van de grote religieuze tenoren uit het voorgeslacht: Abraham, Isaäk, Jacob en de profeten. Bij aankomst in Gods hemelrijk zouden ze met trom­ge­roffel en trom­petgeschal inge­haald worden. Die ver­wachting was vrij algemeen, tot in de intiemste kring rond Jezus. Denk aan de bekvechtende aposte­len. Hun probleem was niet of zij het hemels Koninkrijk zouden binnen­geraken – dat was voor hen evident – maar: wie van hen in dat Rijk de grootste zou zijn (Mc. 1­0,35-45).
Jezus slaat die verwachting aan diggelen: Het is niet omdat jij jezelf als ‘mijn volgeling’ beschouwt, het is niet omdat je christen bent, katholiek, weke­lijks naar de mis gaat, ja en amen zegt tegen kerkelijke dogma’s en geloofs­waarhe­den, dat de rode loper van het Rijk Gods voor jou zal worden uitgerold.

Net als toen, hebben ook vandaag heel wat gelovi­gen het moeilijk met deze Jezuslogica. Omdat zij haaks staat op hun eigen, zogenaamd chris­te­lijke geloofslo­gi­ca die, in naam van de waarheid, andersdenkenden verkettert, mensen opdeelt in: zij die het ware geloof bezitten en dus gered zullen worden, en de rest.
Neen, zo zit het niet in elkaar, zegt Jezus: “Er zijn laatsten die eersten, en eersten die laatsten zullen zijn”.

De ‘eersten’ zijn zij die in Hem geloven. Wij zijn dus de eerst geroepenen tot het Rijk Gods. Maar geroepen worden, uitgenodigd zijn, betekent niet dat de hemel ons automatisch in de schoot zal gewor­pen worden. Geroepen zijn betekent dat er op jou beroep wordt gedaan om aan de totstandkoming van Gods Rijk op aarde mee te werken, dat je de wereld die barst van ongerechtigheid, leefbaar helpt maken voor anderen. Wij sluiten zelf de toegangsdeur naar het Rijk Gods af door onverschillig voorbij te gaan aan wat niet deugt in onze samenleving. Onverschilligheid die het kwaad laat voortwoekeren, is schuldig verzuim, maakt medeplichtig aan het kwaad. Ook al hebben die onverschilligen de helft van hun leven op hun knieën gezeten biddend voor hun eigen zielenzaligheid, van achter de gesloten deur van het hemels Koninkrijk zullen ze te horen krijgen: “Hoepel op; Ik ken u niet”. Die eerst geroepenen zullen dus de laat­sten zijn.
Niet het lidmaatschap van onze of een andere religieuze groe­pering garandeert toegang tot het Rijk Gods. Niemand heeft het Rijk Gods in pacht. Elkeen, gelovig of niet, kerk­gan­ger of niet, christen of moslim moet zich inzet­ten om de ­wereld mensvriende­lijker te maken. Het Rijk Gods heeft alles te maken met gerechtigheid doen, met de wijze waarop je met anderen samenleeft, met je inzet om onze wereld meer bewoonbaar­ te maken. Niet wat iemand zich over zijn goede relatie met God inbeeldt, is belangrijk, wel of hij bij God die in het verborgene ziet, bekend staat als een mens van gerech­tigheid en liefde. Op grond daarvan oordeelt God of je echt tot zijn gezelschap behoort of niet, niet op basis van ‘aan tafel zitten met Jezus’ en ‘zijn onderricht aanhoren’. Niet-meeëters en niet-meehoorders – de ‘laatsten’, zoals onze evangelietekst ze noemt – die wel concreet werk maken van het Godswoord “Ik had honger en gij hebt mij te eten gege­ven; Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen” (Mt. 25,34-35), zullen daarentegen wel welkom toegelaten worden in het Koninkrijk van God.

Doet gelovig-zijn dan niet terzake? Als volgelingen van Jezus hebben wij het voortouw te nemen. Geloven in Jezus’ Boodschap is geloven in Gods belofte dat Hij mens en wereld zal verlossen van alle ongerech­tigheid. Die geloofskennis, die belofte, moet voor ons de motor van onze inzet zijn. Met Jezus aan tafel zitten en naar zijn onderricht luisteren is de benzine die de motor doet draaien, die voeding geeft en kracht. Als ons geloof in de lucht blijft hangen, niet voorbij deze kerkmuren doorgetrokken wordt, als wij niet, in navol­ging van Jezus, de strijd aanbinden met het kwaad dat mensen elkaar aandoen, dan negeren wij onze specifiek christelijke verantwoordelijk­heid. Dat soort christendom – wel op zondag, niet in de week; wel in de kerk maar niet op het werk; wel een kruis voor het eten maar tegelijk ook kruis zijn voor je gezin – is verraad aan ons eerst-geroepene-zijn. Dié zogenaamde christenen krijgen de deur van het Rijk Gods op de neus: “Ik ken u niet”. Het feest kan ook zonder hen door­gaan. Hun plaatsen aan Gods feesttafel worden ingenomen door de laatst geroepenen: zij die, zonder visite­kaartje van christen-zijn, zich hebben ingespannen om zijn Boodschap van liefde en rechtvaardigheid tot werkelijkheid te maken.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.