21e zondag door het jaar B 2015 p

 23.08.2015   (Viering)

Willen jullie soms ook weggaan?
(Jo. 6,60-69)

“Velen van Jezus’ leerlingen zeiden: die taal stuit tegen de borst. Wie kan daar nog naar blijven luisteren?” Een raar begin voor een evangelielezing. Wat heeft Jezus gezegd waaraan velen van zijn leerlingen zich zo ergerden?
Onze tekst van vandaag sluit aan bij de lezing van vorige week, waarvan het slot luidde: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft met Mij verbonden en Ik met hem. Zoals Ik leef uit de Vader die Mij gezonden heeft, zo zal ook hij die zich met Mij voedt, leven uit Mij.” (6,56-57). Die woorden dus schoten bij velen van zijn volgelingen in het verkeerde keelgat. Waarop Jezus geïrri­teerd reageerde: “Om dat te snappen is geloof nodig. Maar onder jullie zijn er die niet geloven.” (6,64a). Dat was teveel gezegd. Ze zijn Jezus al zo lang gevolgd en nu maakt Hij hen uit voor ongelovigen. “Toen keerden velen van zijn leerlingen Hem de rug toe en trokken niet langer met Hem mee.” (6,66). Als Johannes schrijft ‘velen’ dan bedoelt hij ook ‘velen’, want na dit incident blijft er, op de apos­telen na, nog nauwelijks iemand over.

Als Jezus zijn volgelingen ‘onge­loof’ verwijt, is dat dan ook aan ons geadresseerd? Wij geloven Hem toch als Hij zegt “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft met Mij verbonden en Ik met hem”. Juist om ons door dát woord te laten voeden, zijn wij hier in deze eucha­ristie­viering bijeengeko­men.
Maar we mogen niet te vlug conclusies trekken. Jezus voegde er nog aan toe: “Zoals Ik leef uit de Vader die Mij gezonden heeft, zo zal ook hij die zich met Mij voedt, leven uit Mij”. Met andere woorden: Wie zich in de eucha­ris­tie gelovig laat voeden door het vlees en het bloed en door de woorden van Jezus, die heeft ook te leven vanuit Jezus, die heeft te leven zoals Jezus leefde vanuit zijn Vader.

Jezus’ leven is als het ware het venster waardoor de Vader te zien is, waardoor God zich laat kennen. In Jezus ont­dekken wij dat God geluk en heil wil voor alle men­sen, voor de hele mensenge­meen­schap. Concreet betekent dit, dat God vooral bekommerd is om het lot van diegenen die uit de boot dreigen te vallen. Want naar hen ging Jezus’ prio­ritaire aandacht:
– Hij liet blinden zien, doven horen en kreupelen gaan;
– wie zichzelf (zoals de overspelige vrouw) buiten spel had gezet, kreeg vergiffenis en                      mocht weer in vrede gaan;
– wie door de samenleving werd uitgesloten, haalde Hij binnen. Denk bijv. aan melaat­sen, aan bezetenen, aan de allochtone Samari­taan­se vrouw.
– en dan is daar nog “Bemin uw vijanden”.
Zomaar wat voorbeelden waaruit blijkt dat voor Jezus – en dus voor God – alle mensen radicaal gelijk zijn.

Dat staat haaks op wat in een doorsnee-burgermaatschappij gebruikelijk is. Die maakt wel onderscheid tussen goeden en slechten, tussen zij die erbij horen en zij die dat niet verdienen. Daarom viel die consequente houding van Jezus destijds lang niet altijd in goede aarde, en ontstonden er wrijvingen. Toch bleef Jezus volmondig ‘ja’-zeggen tegen het leven zoals zijn Vader dat wou. Het zou Hem uiteinde­lijk zuur opbreken: Hij die principieel niemand uitstootte, werd zelf uitgesto­ten en vastge­spijkerd aan een kruis. Dàt is dus het risico van ‘leven vanuit de Vader’.
En, zegt Jezus, wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, geeft daardoor te kennen dat ook hij mijn weg wil gaan, dat ook hij, door zijn manier van leven, venster wil zijn waardoor ande­ren zicht krijgen op wat en wie onze God ter harte gaat.

Als ik de draagwijdte van Jezus’ woorden ten volle tot mij laat door­drin­gen… dan groeit mijn begrip voor de velen die destijds zeiden: “Wie kan naar die praat blij­ven luiste­ren?”. Want, wat Jezus van ons ver­langt – doen zoals Hij -, is dat, in al zijn radicaliteit, wel doen­baar? Waar blijf je in deze tijd als je niet een beetje vei­lig­heids­marge in­bouwt? Als je conse­quent de honge­rigen wil spij­zigen en de dor­stigen wil laven, ben je in de kort­ste tijd voor drie-vierden uitge­kleed. Mag een mens, van wat hij met zijn zwoegen en zweten heeft opge­bouwd, ook nog iets overhouden? Mij radicaal inzetten voor de zwaksten in onze samenleving… ja, maar er zijn wel grenzen; mag ik ook nog wat tijd en geld reserveren om van mijn leven te genieten? En dan zwijg ik nog over ‘het beminnen van mijn vijanden’…
Als ik diep in mijn hart kijk, moet ik toegeven dat mijn antwoord op het appèl van Jezus ‘Volg Mij na’ geen echt volmondig ‘ja’ is. Ik zeg voort­durend ‘ja, maar’. Zo leef ik tenminste. En mis­schien u ook.

Met dat gevoel van voortdurend tekortschieten zitten we hier bij Jezus aan tafel. Hetzelfde gevoel als dat van die twaalf apos­telen, die onge­makkelijk rond Jezus stonden te draaien en te keren toen het gros van de volgelingen had afgehaakt. En alsof het nog niet moeilijk genoeg is, strooit Jezus nog wat zout in hun en onze wonden: “Willen ook jullie soms weg­gaan?”.
Misschien zegt diep in mij een benepen stemmetje: ‘Weggaan? Zou dat niet het eerlijkste zijn? Ben ik wel bereid om de ‘maar’ van mijn ‘ja maar’-antwoorden in te slikken…?” .
Aan de andere kant klamp ik me dan weer vast aan de reactie van Petrus: “Heer, naar wie zouden wij gaan? In uw woor­den vinden we eeuwig leven. Buiten U is er geen hoop. Dus, Heer, hou ik me vast aan U. Op genade of ongena­de. Of ik er veel van terecht breng of niet.”
En dus, net als Petrus en die enkele anderen, kies ik – niet zonder aarzelen – toch voor het gezelschap van Jezus van Nazareth. Wetend dat Hij vergevensgezind is als ik mijn tekortschieten erken.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.