21e zondag door het jaar A 2020 p

Wie bouwt er mee …   (Mt.16.13-20 )           (Viering)

Vandaag treffen we Jezus weer aan buiten Palestina. Hij is aanwezig in het Noord-Oosten van het huidige Syrië , Jordanië en Israël. Jezus wou opnieuw met zijn leerlingen als het ware op retraite gaan om zijn eigen leven en werken eens te overschouwen en daarbij de belangrijkste toekomstperspectieven voor Kerk en wereld aan te wijzen.
Zoals altijd vertrekt Jezus vanuit het gelovig aanvoelen uit het Oude Testament om van daar uit aan zijn apostelen ( en over hun hoofden vandaag aan ons ) en in het bijzonder aan Petrus een belangrijke taak toe te wijzen die het fundament van de eerste Kerkgemeenschap zou worden.
Jezus gebruikt daar een opmerkelijke manier van redeneren voor: Hij zoekt naar het fundamentele voor elke mens namelijk: het diepe ego van ieder. Ieder wil erkenning van zijn eigen ik. Elke mens wil op zijn manier uniek zijn, iemand die op zijn of haar eigen manier een steen verlegt in de rivier van het leven.
Jezus confronteert hier zijn leerlingen met eerst een op het eerste zicht fundamentele levensvraag over hun gelovig-zijn en daarna schakelt Hij over op een meer persoonlijke benadering over de Messiaanse verwachting geënt op Zijn eigen identiteit.
Eerst vraagt Hij aan zijn vrienden in het algemeen: wat zeggen de mensen over de Mensenzoon (pas later zal Hij hun antwoord persoonlijk op Hemzelf reflecteren in vraagvorm zoals we zo dikwijls van Hem gewoon zijn). Hij wil zijn vrienden laten nadenken over het fundamentele van hun geloof en daarna de link leggen naar Zijn Boodschap van Leven in Godsnaam en daaruit volgend naar Zijn eigen identiteit.
Op de eerste vraag naar de kern van het Messiaanse verwachtingspatroon wordt als het ware een volledig lijstje met bekende figuren en profeten: Johannes de Doper – de Profeet Elia of Jeremia of zovele anderen. Maar telkens liep het uit op een dood eind: er werd geen Messiaanse verwachting vanuit het Godsverbond met zijn volk bekrachtigd. Geen van al deze figuren had gebracht wat de mensen van hun tijd ervan gehoopt hadden.
En dan schakelt Jezus een versnelling hoger. Nu wordt het niet vrijblijvend zoeken naar algemene antwoorden maar wordt Jezus heel persoonlijk naar zijn apostelen (dus ook naar ons) toe. Wie zegt gij dat Ik ben… of anders uitgedrukt vraagt Jezus aan de mannen die met Hem optrokken en have en goed in de steek hadden gelaten om Hem te volgen: wat ziet gij persoonlijk in Mij – wat beteken Ik voor u ?
Misschien herkennen wij deze vraag ook in ons leven? Misschien hebben wij ze al wel eens gesteld aan onze beste vriend of vriendin. Zeg mij nu eens eerlijk, zonder rond de pot te draaien, wat je van mij denkt! En opgepast zulke vragen zijn inderdaad moeilijke of zelfs gevaarlijke vragen. Want het eerlijke antwoord zou wel eens kunnen kwetsen of zelfs echte vriendschap afbreken.
We zouden het nu kunnen stellen dat de grootst gemene deler was dat Jezus een groot profeet is, een van Godswege uit Gezondene om de Blijde Boodschap persoonlijk gestalte te geven. Hij was een mens die iets te maken had met God. En hier treedt Simon Petrus op de voorgrond: hij spreekt in naam van de twaalf: Gij zijt werkelijk de Christus, Gods welbeminde. Simon sprak dit niet alleen zomaar uit maar hij beleed tegelijkertijd zijn geloof in Jezus. Jezus als de langverwachte Messias, gezonden van Godswege naar het volk om een nieuwe wereld een nieuwe aarde te verkondigen. Jezus mocht zodanig Gods zoon genoemd worden. Hij mocht dan ook Vader zeggen tegen God. Hij was de Gezalfde, door Zijn manier van leven werd het duidelijk hoe God zelf met ons zijn mensen wil handelen. God is diegene die altijd opnieuw Zijn mensen, ons dus, kansen geeft en opnieuw laat beginnen. Cfr het Scheppingsverhaal waar beschreven staat dat elke mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. Deze naam werd reeds gegeven in het oude Verbond aan de koning als gezalfde Gods om zijn mensen een gezegende toekomst te garanderen.
En dan wordt dit evangeliewoord afgesloten met een beeld van ‘sleutelmacht’ over de wereld én de Kerk als instrument om dit wereldbeeld gezicht te geven. Want ook Simon ontvangt van Jezus zijn zaligspreking, het is een mooie treffende parallel: zoals Simon Jezus heeft beleden als de Messias, de Christus zo zal Jezus Simon nu belijden als Kefas, de Steenrots, als Petrus dus want dit is Grieks voor steenrots. Zo zien wij dat zowel Christus als Petrus geen eigennaam is maar een ‘titel’.
Samengevat: wat zegt Jezus? Op de getuigenis van Simon en de andere apostelen bouwt Jezus verder. Simon wordt de ‘rots’ waarop Jezus zijn Messiaanse gemeenschap zal vestigen. En deze gemeenschap kunnen wij vandaag ‘Zijn Kerk’ noemen.
Hopelijk herkennen wij ook onze rol hierin, helpen wij mee dit kerkbeeld te onderstutten? Zo zijn ook wij geschapen naar beeld en gelijkenis van God als Schepper van hemel en aarde. Wij mogen in elk geval bouwen op de zekerheid dat 2000 jaar geleden er begonnen is met een nieuw en hoopvol gemeenschapsgebeuren van Godswege uit: wij hebben iemand die ons daarin is voorgegaan. Wat met Petrus gebeurde mag en kan ook in ons (op onze maat) gebeuren! Laat het dan ook maar toe en vertrouw op Gods hulp en Zegen.
Luc Dekelver – diaken

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.