20e zondag door het jaar C 2013


Vrede of verdeeldheid?
(Lc., 12,49-53)             (Viering)

Dat was een evangeliepassage waar ik met een boogje omheen zou willen lopen. Want wat moet je met – ik zou haast zeggen – deze onchristelijk klinkende Jezuswoorden?
Straks, na het Onze Vader, horen we: “Heer Jezus Christus, Gij hebt aan uw apostelen gezegd: ‘Vrede laat ik U; mijn vrede geef ik U’.(…) Geef ons vrede in uw naam en maak ons één”. En vervolgens wordt die vrede aan allen toege­wenst en doorgegeven. Wat Jezus in deze evangelielezing zegt, gaat daar lijnrecht tegen in: “Denken jullie dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen, zeg Ik u, Ik ben eerder verdeeldheid komen bren­gen, zelfs verdeeld­heid binnen het gezin!”.
Ik heb nog even overwogen om deze evangelie­tekst te vervangen door een andere. Eentje die minder ergernis oproept en waarover het gemakkelij­ker preken zou zijn… Maar dat zou ‘vals spelen’ zijn: als ik begin weg te selecteren wat me niet bevalt, dan sta ik, voor ik het weet, in plaats van het evangelie van Christus, het evan­gelie van Christiaens te verkondigen. En dat is nu ook weer niet de bedoe­ling.

Bij de geboorte werd aan de herders toegezongen: “Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil”. Het eerste wat Jezus na zijn verrijzenis tot zijn leerlingen zei, was: “Vrede zij met u”. Tussen die twee momenten ligt een heel leven waarin Jezus zijn volgelingen voortdurend ‘vrede’ toezegt. Hij zegt het niet al­leen, Hij sticht ook heil en vrede in zijn zorg voor mensen en door de wijze waarop Hij met hen omgaat.

Er zit echter wel een ‘maar’ aan vast. ‘Vrede’ betekent voor Jezus niet: conflicten toedekken of toegeven omwille van de lieve vrede. ‘Vrede’ is voor Hem geen synoniem van ‘geen oorlog’, maar synoniem van ‘geluk’, van ‘heil’ – geluk en heil voor allen zonder onder­scheid. Nooit: geluk en heil voor de ene ten koste van de ander. Daarom profileert Hij zich als partij­ganger van de zwakkeren.
Wie echter ‘par­tij’ zegt, zegt ook ’tegenpartij’, de sterken in dit geval, zij die de plak zwaaien, zij die vinden dat alles maar best bij het oude blijft omdat dit hun het beste uitkomt, omdat verandering hun macht, hun zekerheden, hun gevestigde positie zou kunnen onder­mijnen. Wie zegt ‘partij’ en ’tegenpartij’, zegt ook ‘conflict’. Jezus was geen zachtgekookt eitje. In naam van de vrede-zoals-Hij-die-ziet ontloopt Hij de confrontatie niet. Wie kiest voor de armen, kan geen belangenbehartiger van de rijken zijn; wie kiest voor de uitgeslote­nen kan geen bondgenoot van de uit­sluiters zijn. Jezus is realist genoeg om te beseffen dat de mannen van de macht, van het geld en van het goed fatsoen dit Hem niet in dank afnemen. Hij ver­wacht er zich dan ook aan dat zij, die Hij ooit heeft uitgescholden voor “huiche­laars en witge­kalkte graven, mooi van buiten maar van binnen vol rottig­heid” (Mt.23,27-28), op vinkenslag liggen om Hem voetje te lichten. En meer dan alleen maar een voetje.

Dat is de achtergrond van onze evangelietekst. Jezus beseft ten volle dat de gespannen situatie elk moment een dramati­sche wen­ding kan nemen. Toch kiest Hij er niet voor om zich gedeisd te houden. Hij gaat vastberaden op weg naar Jeru­zalem (Lc. 9,51), goed wetende dat daar, in het hol van de leeuw, de bom kan ontploffen. Niet uit overmoed maar uit trouw aan wat Hij als zijn roeping ziet, gaat Hij de confrontatie aan. Maar wel met een bang hart: “Daar moet ik een doop ondergaan. Ik voel me be­klemd; zal ik het uithouden tot het allemaal volbracht is?”

God is Liefde. Maar dat betekent niet dat Hij alles toedekt met de ‘mantel der liefde’. Gods Liefde is immers geen neutrale liefde, maar partijdig-nabije liefde; lief­de die haar nek uitsteekt; liefde die, wie klein wordt gehouden, positief discri­mineert. En uiteraard lokt dat verzet uit van de bevoorrechten die zich in hun privi­le­gies be­dreigd zien.
Dat was de tragiek van Jezus: de vredesbode die ten ondergaat aan de weerstand die zijn vredesboodschap oproept. Tot diezelfde tragiek zijn ook zijn volgelingen veroor­deeld: “Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en laster­lijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwille” (Mt. 5,11).

Ik denk dat we die zaligspreking ook mogen omkeren. Wie zich volgeling van Jezus noemt maar níét in aanvaring komt met de logica van deze we­reld, níét in aanva­ring komt met de elk-voor-zich­zelf-en-God-voor-ons-allen-menta­liteit, zo iemand moet zich in alle eerlijk­heid afvragen of hij wel een èchte Jezus­vol­geling is. Zijn wij bereid in ons doen en laten het risico te lopen onze vingers te branden aan het liefdes­vuur dat Jezus op aarde bracht en waarvan Hij verlangt dat het hoog oplaait? Mis­schien is onze liefde niet partij­dig ge­noeg.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.