20e zondag door het jaar A 2014

Jezus schaakmat gezet(Mt. 15,21-28) (Viering)

Twee hoofdpersonen: Jezus uiteraard, en een vrouw. Een Kananese, een niet-joodse dus. In dit verhaal, hoewel amper enkele regels lang, wordt die vrouw vier keer afgescheept:
-eerst wordt ze door Jezus koudweg genegeerd;
-dan zijn de leerlingen aan zet: “Stuur dat vrouwmens toch weg… met haar gezaag!”
-als Jezus dan toch zijn mond opendoet, dan is dat om haar principieel af te wijzen: “Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van Israël.”
-als de vrouw blijft aandringen, wijst Jezus haar plaats: bij de honden.
Shockerend toch? Hoe is dergelijk praat te rijmen met zijn imago ‘Jezus de mensenvriend’?

Toch een kanttekening in de marge: je mag Jezus’ reactie niet loshaken  uit de tijd en de context van toen.
Jezus is, over de grens van Israël, de streek van Tyrus en Sidon binnengetrokken, een niet-joods gebied met daarin verspreid – ook toen al – een aantal joodse nederzettingen. Vermoedelijk om aan de joden aldaar zijn Boodschap te gaan verkondigen. De vrouw die Hem aanspreekt, is van ter plekke, een afstammelinge van de oorspronkelijke bewoners van Kanaän, het land van de heidenen met zijn afgoden en zijn vruchtbaarheidscultus. De joden, en zeker die uit de nederzettingen, meden alle contact met de plaatselijke bevolking. Ze wilden immers hun geloof zuiver houden, vrij van mogelijke heidense beïnvloeding.
Dat maakt Jezus’ houding iets begrijpelijker: Hij gedraagt zich zoals joden zich daar en toen gedroegen.

‘Enig begrip’ opbrengen is niet hetzelfde als ‘goedkeuren’. Hoeft ook niet. Want tegen het einde van het verhaal heeft Jezus zijn houding grondig gecorrigeerd: “Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst”.
Wat mij intrigeert, is: Wat heeft die heidense vrouw precies gezegd of gedaan waardoor Jezus een ommezwaai van 180° maakt?
Het eerste wat in het oog springt – ook al raakt dat niet de kern van de zaak – is dat die vrouw niet op haar mondje gevallen is. Op de cynisch afwijzing: “Het is niet goed om het brood van de kinderen aan de hondjes te geven.” repliceert zij gevat: “Juist, Heer, want hondjes eten de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.”. Daar is geen speld tussen te krijgen. Jezus staat schaakmat. Zoiets lezen we niet vaak in het evangelie. Meestal is het omgekeerde het geval: Jezus die zijn tegenstanders schaakmat zet.
Wat de doorslag gaf tot zijn bekering,  blijkt uit Jezus’ slotwoord: “Vrouw, groot is uw vertrouwen”. Andere Nederlandse vertalingen hebben het over haar ‘groot geloof’. Bedenk dan wel dat die vrouw geen volgelinge van Jezus was, maar, in joodse ogen, een afgodendienares. Wat was er zo bijzonder aan haar geloof, aan haar vertrouwen? Kunnen wij daar iets van opsteken?

Bijzonder is allereerst  haar vasthoudendheid. Zij bijt door, ook al krijgt zij viermaal de deur voor haar neus dichtgeklapt. Ze blijft hopen tegen alle hoop in.
Zijn wij niet te ‘kleingelovig’?  Blijven wij gelovig overeind als leed en lijden ons deel is? Als wij het gevoel hebben dat God ons bidden en smeken negeert? Houden wij het ‘desondanks’ vol met God?

Maar er is meer. Zij roept Jezus toe: “Heer, heb medelijden met mij. Mijn dochter is vreselijk bezeten”. De vrouw identificeert zich dus met het lijden van haar dochter. Zij en haar dochter zijn op dit punt één. Het lijden van de ene is het lijden van de ander, en daaruit put de ene de motivatie om de ander tot hulp te zijn of voor die ander hulp te zoeken. Je kan dat wel relativeren met: ‘dat komt wel vaker voor in een moeder-kind-relatie’. Maar daarmee zou je het appèl dat daarin besloten ligt, wel eens over het hoofd kunnen zien. Zich zodanig identificeren met andermans lijden dat het je motiveert om er wat aan te doen, is de diepmenselijke en medemenselijke definitie van het woord ‘medelijden’.

Mochten wij wat meer medelijden betonen, ons wat meer solidariseren met andermans miserie, er zou heel wat minder geleden worden in de persoonlijke sfeer, binnen families, en zelfs op wereldvlak.
Die Kananese vrouw staat model voor waarachtig medelijden. Zij is zo betrokken bij het lijden van haar dochter dat zij niet bang is om haar gezicht te verliezen. Zij doorbreekt het taboe dat joden en niet-joden in gescheiden werelden leven: zij waagt het Jezus aan te spreken. Meer nog: in bedekte termen wijst zij Hem terecht: “Gij kunt wel mooi praten over mensenliefde en over een God die zijn mensen niet in steek laat; maar maak die liefde eens concreet, laat eens wat kruimels van de tafel vallen voor de handjes zoals ik.”
Hoe gedreven ze ook is, toch kent zij haar plaats. Ze weet dat ze niet de juiste geloofsbrieven kan voorleggen. Ze weet dat aan de tafel die Jezus voor de kinderen van Israël dekt, voor haar geen plaats is. Realistisch als ze is, stapt ze over die discriminatie heen, neemt zelfs de vernederende beeldspraak over, en is bereid om onder de tafel met de hondjes kruimels te eten. Wat vandaag niet kan, kan morgen misschien wel, moet ze gedacht hebben..
Misschien mogen we hier het woord ‘liefde’ laten vallen, “liefde die geduldig is” (1 Kor. 13,4), zo geduldig … dat Jezus zich daardoor laat gezeggen, dat die Hem de ogen geopend heeft.

Jezus’ bekering zegt ook iets over wie Hij was. Zij bevestigt zijn ten volle mens-zijn. On-aardse volmaaktheid was Hem vreemd. Hij moest groeien in zijn rol als Messias, en soms dus zijn eigen vooroordelen opgeven.
Opgegroeid als jood in hart en nieren, hield ook Hij zich aanvankelijk ver van het heidendom. Maar die onverwachte confrontatie met een vreemde vrouw die, uit liefde voor haar ziek kind, taboes doorbreekt, zich niet laat afschepen en tegelijk toch respectvol afstand houdt, moet Jezus in verlegenheid hebben gebracht. Niet goed wetend wat en hoe, moet Hij zich afgevraagd hebben wat God van Hem in de gegeven situatie verlangde. Ook Jezus moest leren van het leven (Hebr. 5,8). Ook Hij moest groeien in wijsheid en inzicht (Lc. 2,52). De ivoren toren-mentaliteit  van het jodendom loslaten en het heidendom tegemoet treden, was voor Hem een grote stap, en beslist geen gemakkelijke.
Durven wij ons eigen geloven laten bevragen, zoals Jezus zich liet bevragen door dat grote geloof van die heidense vrouw? Durven wij erkennen dat een andersdenkende het wel eens bij het rechte eind kan hebben, en wij dus fout zitten? Door wie laten wij ons aanspreken? Kan het engagement van een neutrale organisatie als ‘Artsen zonder Grenzen’ bijvoorbeeld, ons, als christenen, inspireren tot grotere inzet voor de Derde Wereld? Kan het grote geloof van een Getuige van Jehova ons ertoe aanzetten om ook wat meer tijd te investeren in bijbelstudie?
Het is geen schande als wij onze eigen geloofsvisie eens kritisch bekijken, wat bijstellen en actualiseren. Integendeel, het evangelie roept ons daartoe op.
Marc Christiaens o.p.

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.