1e zondag van de vasten C 2016 p

14 februari 2016          (Viering)

Bekoring in de woestijn  (Lc. 4,1-13)

Het verhaal van de bekoringen van Jezus… hoe bekend ook – toch blijft het ons vreemd en onwerkelijk in de oren klinken. Het ruikt verdacht veel naar hallucinaties van iemand die daar in de woestijn veel te lang gevast heeft. Maar dat wordt anders zodra men er wat dieper op ingaat.

Jezus is niet ‘zomaar’ de woestijn ingetrokken. We hoorden dat Hij, onmiddellijk na zijn doop in de Jordaan, daarheen was gegaan “vol van heilige Geest”. De hoofdpersoon in dit verhaal is dus niet zozeer Jezus, maar de Geest Gods. En tegen­over de Goede Geest staat dan de Boze Geest. Dát zijn de twee tegenspelers. En het drama gaat over de vraag: Wie van beiden heeft macht over Jezus?
Een heel herkenbaar thema, ook voor ons: de strijd tussen goed en kwaad, tussen onze goede bedoelingen en onze minder edele gevoelens en verlangens.

Tijdens Jezus’ doop was Gods Geest over Hem neerge­daald en had een stem uit de hemel gezegd: “Gij zijt mijn lieve­lingszoon”. Woorden met het statuut van een identi­teitsverklaring: Zoon van God. Een kwalificatie om ‘U’ tegen te zeggen.
En de duivel – zo is de verpersoonlijking van het kwaad nu een­maal – is altijd erg geïnteres­seerd in wie over macht beschikken. Ook wij halen wel eens macht naar ons toe. Denk maar aan de macht van het geld, de macht van de brute kracht, de macht van de vuist op tafel, de macht van de welsprekendheid, de macht van het aan­trekke­lijk lijf, de macht van de gespeelde onschuld…
De verleider neemt de identiteitsverklaring uit de hemel serieus: “Als U de Zoon van God bent…” en knoopt daaraan een paar interessante mo­ge­lijkheden vast. Mogelijkheden die ook ons niet onver­schillig laten.

Het begint al bij de eerste bekoring. De duivel raakt Je­zus – en daarmee de meesten van ons, en van de hele wereldbevol­king – op een gevoelige plek: de maag. Jezus krijgt honger. De boze geest suggereert een klein privé-broodwonder: “Als U de Zoon van God bent, zeg dan tegen deze steen dat hij een brood moet worden”.
Jezus weigert. We weten dat Hij niet afkerig staat tegenover een broodwonder. Maar als Hij dat doet, dan doet Hij dat uit medelij­den met mensen (Mc.8,2). Hier probeert de duivel Hem te verleiden tot een wonder ten bate van zichzelf. Er is niets dat Jezus zo verafschuwt als de gedachte dat zijn relatie met zijn Vader vertaald zou wor­den in termen van eigenbelang. Hij werkt niet met dat gereed­schap van de onderwereld, ook niet om een honger­probleem op te los­sen. Want “de mens leeft niet van brood alleen”. Eerder en beter is het Woord dat mensen oproept te denken in termen van recht­vaardigheid: de handen ineen slaan en het samen geproduceerde brood met elkaar delen.

De tweede mogelijkheid die de verleider suggereert, ligt let­ter­lijk op het hoogste niveau. Een weids panorama, “alle ko­ninkrij­ken van de wereld… allemaal voor U”.
Hierop had Jezus kunnen reageren met wat Hij later tegen Pilatus zou zeggen: “Inder­daad, Ik ben koning”. En Hij had eraan onmiddel­lijk kun­nen toevoegen: “Alles is volbracht”. Koning van de hele wereld, de weldadige heerschappij van het voltooide Rijk Gods – zonder lijden, geen kruis… Iedereen pijnloos verlost.
Aantrekkelijk, dat wel. Maar Jezus trapt niet in de valstrik. Die utopie is besmet: de duivel leent zijn eigendom slechts uit aan wie voor hem in aanbidding neervallen. Jezus wei­gert een bondgenootschap aan te gaan met de macht van het ge­vestigde kwaad: “Mijn rijk is niet van dat soort wereld” zou Hij later zeggen. Jezus kiest voor de lijdens­weg, voor het kruis. Het Rijk van God zal tot het einde toe stap voor stap op het kwaad moeten veroverd worden.

Tenslotte daagt de duivel Jezus uit tot een sprong in de afgrond. Wat is daar  aantrekke­lijk aan? Zoiets komt in een mensenhoofd alleen maar op in allerhoogste wanhoop.
De duivel ziet het anders. “Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden; want er staat geschreven – de duivel citeert hier een psalmtekst -: Aan zijn engelen zal Hij bevelen U op handen te dragen zodat U aan geen steen uw voet zult stoten”. Dat klinkt vroom en religieus. Het lijkt wel of de duivel hier les geeft in Godsvertrouwen. In feite speelt hij hier zijn hoogste troef uit: de relatie tussen Jezus en zijn Vader. Die moet uitgetest worden. Dat God zijn engelen inschakelt om zijn getrouwen voor onheil te behoeden… gelooft Jezus dat zelf wel? Is zijn Godsvertrouwen zo sterk dat hij een kleine religieuze stunt aandurft?
Moge het ons bespaard blijven dat de duivel ons geloof op die manier op de proef stelt. Maar het is geen zeldzaamheid dat mensen God promoveren tot omni­um-verze­keraar van de consequenties van hun misstappen, van de afgronden die zij gegraven hebben. Op die manier provoceren we Gods voorzienigheid: zíjn menslievendheid moet er maar voor zorgen dat óns wereldje, dat dé wereld niet in de soep draait.
Tegenover het psalmwoord van de duivel zet Jezus een andere bijbeltekst: “Er is gezegd: U zult de Heer uw God niet op de proef stellen”.

Toen gaf de duivel het op en ging van Hem weg. Althans “voor een bepaalde tijd” voegt onze evange­lietekst eraan toe. Want het verhaal van de bekoringen is een verhaal in vele afleve­ringen. Het duurt ons leven lang.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.