1e zondag van de vasten B 2018 p

(Viering)

Weggedreven worden, recht de woestijn in [Mc 1,12-15]

Over de woestijntijd van Jezus is onze evangelist Marcus wel erg kort. Drie kleine zinnetjes (v. 12-13). En dat is het. Maar alles zit erin.

            De Geest dreef Jezus weg, recht de woestijn in.
Niemand trekt uit eigen beweging de woestijn in. Ook Jezus niet. Het was de Geest die Hem de woestijn indreef, zegt Marcus. In de woestijn valt nauwelijks te leven. Zoiets zoek je niet op. Dat is iets dat je overkomt, dat je over­valt: leegte, eenzaamheid, crisis, twijfel, ziekte,burn-out, niet meer weten hoe het verder moet. Daar kies je niet voor.

            Hij bleef in de woestijn, op de proef gesteld door de satan.
De leegte dreigt je te verzwelgen… je wilt eruit weg. Je alleen en verlaten voelen, stilte die verplettert… het maakt je bang, je probeert die ervaring te verdringen door in de drukte te vluchten, je te verliezen in onbenul­ligheden, je te ergeren aan de omstandighe­den die je het leven moeilijk maken, je vast te klampen aan pseudo-zekerheden, aan wat altijd zo geweest is. Het funda­mentalisme dat in kerkse kringen geregeld de kop opsteekt, is dikwijls een angstige reactie van mensen die aan de rand van de woestijn hebben gestaan, maar er niet durfden binnen­stappen.
Er zijn zovele bekoringen die we maar al te graag aangrijpen om aan die beangsti­gende woestijnervaring te ontsnappen. De satan stelde niet alleen Jezus op de proef. In de grond maakt niet zoveel uit wie er achter die verleidin­gen zit. Waar het op aankomt is: kies je voor de verleiding en ga je dus voor de woestijnbeleving op de vlucht; of ben je bereid de wildernis binnen te stappen, ben je bereid de con­fronta­tie met jezelf aan te gaan, de confron­tatie ook met God die in de woestijn voor jou en met jou toekomst wil creëren.
De hele geschiedenis door hebben wijze mensen geweten dat er geen weg naar het leven is die niet door de woestijn gaat.

            Jezus was in het gezelschap van de wilde dieren,
en de engelen stonden Hem ten dienste.

De woestijn, crisis, dat is de strijd aangaan met de wilde dieren binnen in jezelf, de bedreigende krachten die van binnenuit je leven overhoop halen. Dat kan van alles zijn. Je onverwerkte verleden; je werk, je hobby die je relatie onder druk zet; je niet kunnen verzoe­nen met het feit dat met het klimmen der jaren de vita­liteit afneemt; je ergernissen over het kerkinstituut die je geloof doen wanke­len; je bedolven voelen onder zoveel verantwoor­delijkheden dat je jezelf verliest; of omge­keerd: zozeer op jezelf betrokken zijn dat de interesse voor de mensen rondom je verdwijnt – met als gevolg dat je omgeving niet langer geïnteres­seerd is in jou.

Wie zo’n levenscrisis constructief in de ogen durft te zien, wie in de leegte en de een­zaam­heid de rug kan rechten, kan die woestijn vruchtbaar laten zijn. Die ontdekt dat leegte vraagt om gevuld te worden. Die leert dat eenzaamheid een fundamentele waarheid openbaart over onszelf, nl. dat wij allen incompleet en onaf zijn. De ervaring van gemis plooit een mens open voor anderen.
En het eerste wat je dan ziet is… dat er ook in jouw woes­tijn, net als in die van Jezus, engelen zijn om jou te dienen: mensen die bereid zijn naar jou te luisteren, die je de kans geven om te vertellen zowel over je uitdagingen als over je misluk­kin­gen.
Misschien kunt ook jij voor die anderen zo’n engel worden: mensen die mekaar kans geven om te spreken over hun geloof en hun twijfels, om hun zorgen te ver­woor­den; die tijd uittrekken voor elkaar, met elkaar op stap durven gaan. Want in de woes­tijn is de nood aan nabijheid groot.
Engel zijn voor elkaar, voor elkaar Gods gezicht zijn, is via de ander ontdekken dat jij in je eenzaamheid een lotgenoot, een bondgenoot hebt in de persoon van Jezus toen Hij, net als jij in jouw woestijn, uitschreeuwde: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”. Wat toen gebeurde kan ook nu gebeuren: het voor­hang van ook jouw tempel kan openscheuren zodat God ook voor jou zichtbaar wordt, Hij-die-is-met-jou-en-voor-jou, Hij die jou aan jezelf teruggeeft. Hij is het die de wilde dieren in jouw binnenste tot bedaren brengt zodat het leven in hun gezelschap niet langer angstaanjagend is maar leefbaar wordt.

Als we veertig dagen lang in onze woestijn durven vertoeven, en er God mogen ontmoe­ten, dan zullen we anderen weer kunnen liefhebben zonder hen te willen bezitten, zonder hen te willen over­heersen of te manipuleren. Niet die andere moet mijn probleem oplos­sen, niet die andere is het antwoord op mijn eenzaamheid. Neen. Dank zij de ander kan ikzelf mijn probleem en mijn eenzaamheid oplossen, kan ik uit mijn cocon, uit mijn eigen besloten wereldje uitbreken… en als weer-een-vrij mens ontdekken dat die ander eenvoudig­weg er is om er vreugde aan te beleven.
Als wij – dank zij de engelen om ons heen, dank zij ons engel-zijn voor de ander – ons laten raken door de liefde die God is, zullen we opnieuw tot leven komen.

Jezus kwam weer in Galilea en verkondigde:
“Heb geloof in de Goede Boodschap. Het Koninkrijk van God is ophanden.”
Na zo’n bezinnende woestijntijd, zullen wij, net als Jezus van binnen vernieuwd, naar buiten kunnen treden en de Goede Boodschap verkondigen. Ik bedoel daarmee niet dat ieder van jullie predikbroeder of predikzuster moet worden, wel dat wij, door woord en doen in ons dagelijks leven, door onze manier van zijn en in de wereld staan, zullen getuigen van wat en Wie ons bezielt. Dat wij door doeners te zijn, stille getuigen worden van de Goede Boodschap, stille verkondigers dat het Koninkrijk van God ophanden is.

Zo’n vruchtbare veertigdagentijd wens ik je toe van harte.
Marc Christiaens o.p.
            met dank aan Timothy Radcliffe o.p.


 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.