1e zondag van de vasten A 2014

9 maart 2014  (Viering)

Drievoudig beproefd (Mt. 4,1-11)
Voordat Jezus aan zijn openbaar leven begint, gaat Hij veertig dagen op retraite. Zijn doop in de Jordaan had Hem bewust gemaakt van zijn roeping. Als zo iets groots je overkomt, als het besef tot je doordringt dat je ‘de geliefde Zoon van God’ bent, dan heb je wel even tijd nodig om dat te verwerken. Daarom gaat Jezus, gedreven door Gods Geest, de woestijn in.

Bij het begin van de vastentijd worden wij uitgenodigd om met Hem mee te gaan. Veertig dagen van bezinning, van orde op zaken stellen, van Gods orde zoeken voor onszelf en voor de wereld waarin wij leven.
Maar meegaan met Jezus betekent ook dat wij, net als Hij, door de duivel op de proef zullen worden gesteld. Door de ‘duivel’. Laten we ons daar geen primitieve voorstelling van maken, maar de nuchtere opmerking in de brief van de apostel Jacobus voor ogen houden: “Wordt iemand bekoord, dan gaat het altijd om verleid worden door zijn eigen begeerte.” (Jac. 1,14). De duivel, de tegenstander van Gods ordening, zit in onszelf, tussen onze oren, in ons hart. Dat Jezus daar ook mee te maken kreeg, toont dat niets menselijks Hem vreemd was.

Uiteraard weten we niet precies wat Jezus daar in de woestijn overkomen is. Hij was er alleen. Wat ik daarnet voorlas is geen undercover-journalistiek, maar een voorbeeldverhaal. Mattheüs beschrijft de essentie van de bekoringen waaraan mensen blootstaan en laat zien hoe we die, naar Jezus’ voorbeeld, de baas kunnen blijven.

In de eerste bekoring krijgt Jezus honger – hoe kan het anders in een lege woestijn. Het duiveltje in Hem zegt: “Gij zijt toch de Zoon van God. Verander die stenen in brood, dan hebt Ge te eten.”
Honger – wij kennen het nauwelijks. Er is altijd wel iets bij de hand om onze grollende maag tevreden te stellen. Honger zien we wel op televisie. Beelden van uitgemergelde kinderen kunnen ons kwaad maken. Soms zijn we geneigd te zeggen: “God, verander de stenen in Haïti, in de Fillippijnen, in kampen vol Syrische vluchtelingen in brood; en het voedselprobleem is daar opgelost.”
Jezus echter zegt: “Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt”. Het woord uit het boek van de schepping bijvoorbeeld, waarin God de mens de opdracht geeft de aarde en alles wat ze voortbrengt, te verzorgen en goed te beheren. Denk ook aan Gods woorden die de mens opdragen te delen, want God laat het graan groeien om de hongerige magen van de armen te vullen, niet om de portemonnee van de rijken te spekken. Gods woorden die ons de goede weg wijzen. Tot die woorden moeten we ons bekeren.

In de tweede test wordt Jezus uitgedaagd van het dak van de tempel te springen, want, zo zegt het duiveltje in zijn hoofd: “Er staat toch geschreven dat de engelen U zullen opvangen zodat Ge uw voet aan geen steen zult stoten.”
Het is de klassieke bekoring om van God wonderen en miraculeuze tekenen te verlangen. Misschien zouden ook wij wel graag willen dat God zich in onze wereld wat spectaculairder zou manifesteren. We willen ook wel eens God voor ons karretje spannen, en dat Hij ervoor zorgt dat wij onze voeten niet stoten aan allerlei struikelblokken op onze levensweg. God echter respecteert de eigen verantwoordelijkheid van de mens: ‘Kijk uit waar je loopt, geef Mij niet de schuld als je je hoofd stoot, verwacht geen wonderen van Mij’.
Jezus geeft ons het juiste antwoord in de mond: “Ge zult de Heer, uw God, niet op de proef stellen”. Tot dat woord moeten we ons bekeren.

En dan tovert dat duiveltje Jezus alle rijkdommen van de wereld voor ogen: “Het is allemaal van U als Gij voor mij in aanbidding neervalt.”
Wij kennen  ze ook, de idolen die fungeren als goden: geld, macht, carrière, het ongecontroleerde vrije marktmechanisme. Soms willen we er te veel aan opofferen. Onze eigen gezondheid. Of zelfs medemensen. Je hebt het vaak zelf niet in de gaten. Het dringt pas tot je door wanneer je de tijd neemt om stil te staan bij de gang van zaken in onze wereld. Het afgodische ervan dringt pas tot je door wanneer je op één of ander wijze de woestijn bent ingegaan.
Jezus antwoordt op die beproeving: “Er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen”. Tot dat woord moeten wij ons bekeren.

Is het jullie ook opgevallen hoe Jezus in dit evangelieverhaal op verleidingen reageert?  Hij gaat met zijn innerlijke duivel niet in discussie. Hij geeft één afdoend antwoord en werpt het zijn antagonist voor de voeten zodat die een halt wordt toegeroepen. Ook al voeren duivelse dromen Hem naar het dak van de tempel of naar de top van de hoogste berg, Jezus blijft gewoon met beide voeten op de grond. En daar, in het gewone leven van elke dag leeft Hij een leven waarin Hij recht doet aan Gods woorden. Die woorden zijn voor Hem genoeg om een juiste weg te vinden.
Waarom zouden wij het dan elders zoeken?
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Geen categorie

Comments are closed.