1e zondag van de Advent C 2018 p

(Viering)

Advent: tijd voor zelfkritiek (Lc. 21,25-28.34-36 ; Jer. 33,14-16)

Begin van een nieuw liturgisch jaar, en dus mag een andere evangelist een jaar lang het hoge woord voeren. Lucas dus.
Wat hij ons vandaag ter overweging aanbiedt – althans in het eerste gedeelte van zijn tekst (tot v.2Smilie: 8) – vertoont veel gelijkenis met de apocalyptische beschrijving van het einde der tijden die we veertien dagen geleden door Marcus gepresenteerd kregen. In het tweede gedeelte (vanaf v34) spoort Lucas zijn lezers aan om waak­zaam te blij­ven en te bidden om overeind te blijven in de moeilijke tijden in afwachting van de wederkomst van de Men­sen­zoon.

Marcus relativeerde de impact van die verschrikkingen. Hij is ervan overtuigd dat die het begin van het einde zijn: zij zijn nodig om alle kwaad weg te zuiveren zodat de Mensenzoon triomferend kan wederkeren in een we­reld van goed­heid en gerechtigheid. Bij Lucas staat het rampenscenario meer op zich; bij hem is dat geen onmiddellijke voorbode van de glorieuze intrede van de Messias.
Om het verschil in visie tussen beide evangelisten te verklaren maak ik een kleine duik in de geschiedenis. Lucas schreef zijn evan­gelie rond het jaar 85, vijftien jaar nadat de Romeinen heel Jeru­za­lem, inclusief de tempel, met de grond hadden gelijk gemaakt (in het jaar 70). Het onheil dat Lucas Jezus laat voorspellen, was voor zijn lezers­publiek dus al verle­den tijd. Marcus daarente­gen schreef zijn evangelie terwijl de strafex­peditie van de Romeinen nog volop aan de gang was (13,24-32)[1]. Hij dacht dat de verwoesting van Jeruzalem het voorspel was van het einde der tijden en dus van de wederkomst van Chris­tus. Toen Lucas de pen ter hand nam, 15 jaar later dus, was Christus nog steeds niet teruggekomen. Het besef groeide dat die wederkomst nog wel een hele tijd zou kunnen uitblijven. Bij sommige christe­nen resulteerde dat in een zekere laksheid. Het verlangend uitzien naar, het actief verwachten van de definitieve doorbraak van het heil in de persoon van de verheerlijkte Christus, begon te verwateren tot een houding van passief afwachten en ‘we zien wel wat ervan komt’.
Die menta­li­teit baart Lucas zorgen. Daarom roept hij in het tweede deel van zijn tekst, bij monde van Jezus, zijn mensen op alert te blijven, niet weg te zakken in onverschilligheid, niet helemaal op te gaan in de zorg voor primaire levensbehoeften: “Blijf waakzaam, bidt liever om kracht zodat je opgewassen bent tegen wat er nog te gebeu­ren staat, ook al kan het nog een tijd op zich laten wachten” (v36).

De geschiedenis heeft ons geleerd dat we ons wel degelijk moeten instellen op ‘de lange duur’. Lucas had dat dus al begrepen en voelde zich vrij genoeg om afstand te nemen van de oude visie, nog verdedigd door Marcus, dat Jezus op korte termijn als de verheerlijkte Heer zou terugkeren.
Misschien mogen wij ons een soortgelijke vrijheid permitteren en afstand nemen van de traditionele visie dat de wederkomst van de Mensenzoon ooit een bovennatuurlijk gebeuren zal zijn op initiatief van God himself, iets dat zal gebeuren buiten de mens om. ‘De komst van Gods Konink­rijk’ is dan niet iets dat zomaar uit de hemel neerdaalt, niet iets waar we enkel maar verwachtend naar kunnen uitkijken, maar iets dat wij verwachtend te doen hebben. Geloven in de komst van het Koninkrijk Gods wil dan zeggen dat we er op vertrouwen dat er een samen­leving mogelijk is waar – zoals Jere­mia in de eerste lezing in het vooruitzicht stel­de – mensen zo eerlijk en rechtvaardig met elkaar omgaan dat verlossing en bevrijding metter­daad gerealiseerd worden. Kerst­mis wordt dan veel meer dan het vieren van de verjaardag van Jezus van Nazareth. Kerstmis staat dan symbool voor de komst van de Mensenzoon die geboren mag worden dank zij mensen die Gods Koninkrijk stap voor stap dichterbij brengen. Naarmate zo’n manier van samen­leven vorm krijgt, in ’t groot en in ’t klein, krijgt de ­kracht van Jezus’ Geest steeds meer vlees en bloed, en wordt zijn wederge­boorte steeds meer werkelijkheid. Het is dan ook zinvol dat elk nieuw liturgisch jaar aanvangt met een Adventperiode: een symbolische tijd die ons eraan herinnert dat het van ònze waak­zaamheid en alertheid afhangt, of Jezus onder ons al dan niet mag geboren worden.

Dit is meer dan vrome preekpraat. Vier weken lang worden we opgeroepen om na te gaan of datgene waar wij diep in ons hart naar streven en van dromen, de kritiek van de chris­te­lijke waak­zaamheid kan doorstaan. De Advent wil ons ertoe overha­len om onze ambities en verwachtingen – ons vaak opge­drongen door reclame, media, politieke propa­ganda, en door ons eigen belang en onze eigen-gelijk­hebberij – om dat allemaal eens eerlijk te toetsen aan wat van ons als christe­n mag verwacht worden.
Gebeuren er in onze omgeving, in ons land, in onze wereld, anti-evan­ge­lische dingen die wij stilzwijgend laten gebeuren? Zijn wij voldoende alert als de krachtlijnen van onze samenleving van morgen worden uitgetekend? Laten we dat zomaar over ons heen waaien of zijn wij voldoende bij de les om onze vinger op te steken en te vragen: waar wordt er rekening gehouden met de belangen van de hongeri­ge, de dorstige, de naak­te, de zie­ke medemens? Accepteren wij het zomaar dat de kloof tussen de rijke en de arme helft van de wereld – in plaats van gedicht – verder wordt uitgediept door de vrije markteconomie? Durven wij het programma van onze politieke partijen of van het officiële beleid in dit land inzake vreemde­lingen, inzake armoedebestrijding, inzake klimaatsbeleid naast de Bood­schap van het evangelie leggen? En daar consequenties aan verbinden? Het is bij mijn weten ook niet verboden om je christen-zijn mee te nemen als je het stemhokje binnengaat. We kunnen bv. ook een extra inspanning doen voor ons parochieproject ‘Hartenwens’ of voor de adventsactie ‘Welzijnszorg’. Want dat soort acties springen in daar waar onze zogenaamde verzorgingsstaat te kort schiet.
Ik weet het, het zijn geen eenvoudige kwesties. Maar we kunnen ze niet ter­zijde schuiven zeggend “Ik ken niets van politiek” of “Daar kun je als individu toch niets aan doen”. Dan doen we – denk aan die evangelieparabel – zoals die priester en die leviet, prototypes van onchristelijke vrijblijvendheid. De barmhartige Samaritaan daarentegen durfde wel  zijn handen vuil te maken, ook al had hij nooit een EHBO-cursus gevolgd.

Zoals een vrouw in verwachting niet vrijblijvend kan uitzien naar de geboorte van nieuw leven, maar zich ten volle zal engageren voor een leefba­re toekomst voor haar kind, zo vraagt Advent van ons inzet om de droom van het Jezuskind-op-komst waar te maken: God kan immers pas geboren worden in een we­reld waar mensen sleu­te­len aan gerechtigheid, waar mensen bouwen aan een leefbaar huis voor allen, een wereld waar recht wordt gedaan aan de minsten der mensen.
Marc Christiaens o.p.

    [1]  Ook Paulus verwachtte een snelle wederkomst van de Heer – hij dacht dat hij dit nog tijdens zijn leven zou meemaken – maar hij verbond dit niet met de verschrikkingen van het einde der tijden, zoals Marcus (1 Tess. 4,13-1Smilie: 8). Paulus had immers geen weet van de strafexpeditie van de Romeinen, waarop Marcus en Lucas alluderen, want hij schreef rond het jaar 50.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.