1e zondag van de advent A 2013

 Advent  (Jesaja 2, 1-5: Mattëus 24, 37-44) 

Met de eerste zondag van de Advent start vandaag een nieuw liturgisch jaar. Waar we vorige week nog uit het evangelie volgens Lucas lazen, zal Matteüs nu een jaar lang onze gids zijn op onze geloofstocht.
De eerste lezingen en de evangelieteksten uit het Oude en Nieuwe Testament worden iedere cyclus opnieuw getoetst aan de actualiteit. Telkens opnieuw worden we gevraagd de boodschap van de tekst op ons leven te leggen en als olie in onze ziel te laten doordringen.
Ons leven geeft nochtans soms de indruk nogal banaal te zijn. Wie eerlijk is, zal moeten toegeven: veel leven is onnadenkend, oppervlakkig leven. Veel mensen – de één al meer dan de ander – leven naast God en naast elkaar.
Zo ongeveer beschrijft Jezus de tijd van Noach: de mensen gingen gedachteloos door met eten en drinken, met af en toe een bruiloft als variatie. Ze vroegen zich nooit af: Waarmee zijn we eigenlijk bezig? Ze werden meer geleefd dan dat ze zelf leefden. En Noach met zijn ark, hem vonden ze beslist een rare kerel: wie bouwt er nu in godsnaam een boot als er nog in geen uren water te bespeuren valt. Maar voor ze het goed beseften, werden ze helemaal overspoeld door de zondvloed.
En zo vergaat het ook ons als we niet opletten: ongemerkt glijden de dagen door onze vingers, we doen geen kwaad, maar ook geen goed. We stellen ons geen vragen. En voor we het goed en wel beseffen worden wij overspoeld door onverschilligheid en dofheid. We liggen er niet wakker van. Het gaat ons eigenlijk allemaal niets aan: wat er gebeurt in de wereld, wat er gebeurt rondom ons, de armoede, de hardheid, het ieder-voor-zich, het ongeloof. Het dringt niet tot ons door. We leven maar wat aan. We dompelen onszelf in een gedachteloze winterslaap. We verwachten niets meer. Maar, wat is een leven zonder verwachting? Wat is een dag zonder verlangen, een avond zonder de droom van morgen. Wat is een  winterslaap waarop geen lente-ontwaken volgt?
Welnu, beste mensen, dat is advent: een tijd van ontwaken en van verwachting. We kijken uit naar de komst van de Heer. Niet alleen met Kerstmis, maar elke dag, ook vandaag, morgen, overmorgen en alle dagen van de week, heel ons leven, hier en nu. We kijken uit naar zijn komst, naar het doorbreken van zijn Rijk in deze wereld, een Rijk van gerechtigheid, vrede en licht. We leven niet zomaar wat aan, als slaapwandelaars bij volle dag, nee, wij leven in de verwachting van Zijn komst. En die komst, die willen wij niet missen door onachtzaamheid of onverschilligheid.
Advent is dus ook een tijd van waakzaamheid, want ‘de Mensenzoon komt op een uur waarop je het niet verwacht’, besluit Jezus in het evangelie. ‘De een wordt meegenomen en de ander wordt achtergelaten’.
Dat zien we ook vandaag: de één wordt meegenomen door wat hij ziet, hoort of leest, de ander blijft onverschillig. De één laat zich beroeren door ellende van mensen, de ander blijft onbewogen. De één zet zich in voor zijn naaste, voor liefdadige organisaties, voor de parochie, de ander zegt: dat is mijn zaak niet. De één merkt de kleine tekenen van Gods aanwezigheid midden onder ons, de kleine gebaren van liefde, verzoening, inzet, en vrede; de opbeurende glimlach naar wie in de put zit, de schouderklop voor wie het moeilijk heeft, de gift voor de bedelaar in de metro, de milde bijdrage voor de slachtoffers van de oorlog in Syrië of van de tyfoon Haiyan in de Filipijnen. Allemaal tekens van waakzame mensen die in beweging komen op Gods uitnodiging. De één merkt ze, de ander is ziende blind.
En ten slotte, Advent is ook een tijd van hoop. Er is zoveel onrust,  twijfel, moedeloosheid, wanhoop en angst rondom ons. Welnu, als christen zijn wij een teken van hoop. God is ons nabij, Hij is niet ver voor wie Hem zoekt, voor wie Hem toelaat in zijn of haar leven. Hij leeft waar wij gemeenschap vormen, waar we samen zijn, Hij woont waar wij broers en zussen zijn voor elkaar.  ‘Hij zal ons zijn wegen wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ zegt Jesaja in de eerste lezing. ‘Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot sikkels. Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander en oorlog leren ze niet meer. Laat ons wandelen in het licht van de Heer.’ vervolgt hij. Ja, God is onze hoop en Hij leeft in ons, zodat wijzelf hoop en licht kunnen worden en blijven voor anderen, voor onze naaste, maar vooral voor onze medemens in nood.
Want ook dat is Advent: meer nog dan anders aandacht hebben voor onze medemens in nood. De actie ‘Hartenwens’ en Welzijnszorg – Stuyvenberg willen ons daarbij helpen met hun jaarlijkse campagne. Ook onze hulp wordt verwacht. Want wij mensen van de hoop, wij, mensen van de blijde verwachting, wij kunnen en willen op onze beurt een teken van hoop en verwachting zijn voor anderen.
Beste mensen laat dat onze advent zijn: een tijd van verwachting, een tijd van waakzaamheid, een tijd van hoop; voor onszelf en – door ons – ook voor anderen. Amen. 

Monique Van Caenegem-Suys

 (Inspiratiebron: Internetpastoraal Romain Debbaut)

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.