19e zondagdoor het jaar C 2019 p

11 augustus ’19      (Viering)

Vreemdelingen onderweg  (Hebr. 11, 1-2+8-19 ; Lc. 12, 32-48)

Eerlijk gezegd, ik vind het een moeilijk evangelie om erover te preken. Maar het zou niet fair geweest zijn om het weg te schuiven, zeker niet omdat het rechtstreeks aan ons geadresseerd is. Lucas schrijft uitdrukkelijk dat hij zich richt tot een ‘kleine kudde’. Hoe je het ook draait of keert, in vergelijking met 20, 30 jaar geleden zijn wij vandaag toch een kleine kudde geworden. We zijn steeds meer gaan gelijken op die eerste christengemeenschappen in Jeruzalem en daarbuiten, die ook maar klein waren, en waarvan op het eerste gezicht maar weinig invloed en aanzien uitging.

Tot die kleine kudde zegt Jezus: “Wees niet bang. Het heeft  jullie Vader behaagd je het Koninkrijk te schenken.” En al die oproepen tot waakzaamheid en trouw die we daarna te horen kregen, zijn dus ook bedoeld voor ons, kleine kudde in het jaar des Heren 2019.

Als kerkelijke christenen voelen we ons in de samenleving van vandaag bijna als sologangers, rariteiten binnen onze maatschappij, maatschappelijk daklozen, vreemdelingen op weg. Ons gelovig bewustzijn heeft vandaag de dag, veel weg van het geloof van Abraham, waarover Paulus het daarnet had in onze eerste lezing: “Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God, en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen. Door zijn geloof verbleef hij als vreemdeling in het land dat hem beloofd was. Hij woonde er in tenten”.
Ons persoonlijk geloofsleven – en dat geldt ook voor het geloofsleven van onze kleine kudde als geheel – lijkt steeds meer op dat van Abraham. Hij is de verre vader van ons geloof. We noemen hem dan ook ‘aartsvader’.  Abraham was een zoeker, een trekker. Hij trok weg uit zijn land. Alle zekerheden liet hij achter zich. Hij liet de grond waarop hij geworden was wie hij was achter zich, om op weg te gaan naar het land dat hem beloofd was. Wat voor een toekomst staat zo’n man te wachten? <een toekomst alleen maar gebaseerd op een belofte, op geloof. Hij woonde er in tenten. Zich thuis voelen, genesteld in een vaste woonst, zat er niet in. Hij ging op stap, op hoop van zegen. “Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd” schrijft Paulus. Hun toekomst lag in Gods handen. Hij die aan Abraham en zijn erfgenamen beloofd had hen een nieuw land cadeau te doen.

En wat verderop schrijft Paulus over zijn voorouders in geloof: “In geloof zijn zij allen gestorven zonder te hebben ontvangen wat hun beloofd was. Zij hebben dat land, de vervulling van die belofte,  alleen maar uit de verte gezien en begroet. Wie zo spreken geven duidelijk te kennen dat zij op zoek zijn naar een vaderland.”
Ook die woorden van Paulus zijn voor ons relevant. Gelovigen kun je herkennen, zegt hij, aan het feit dat ze op zoek zijn naar een vaderland: ze zijn er nog niet. Ook wij leven van een belofte, niet van een bezit, hoe graag we dat ook zouden willen. We zien uit naar… naar wat eigenlijk? We hebben er geen betere woorden voor dan die welke ons vanuit de geloofstraditie aangereikt worden: ‘de stad die God zelf heeft gebouwd’, ‘het koninkrijk van God’, ‘op aarde zoals in de hemel’. Daarheen, naar de verwerkelijking van die visioenen, zijn wij, kleine kudde, op weg.

En op weg zijnde – zo drukt het evangelie ons op het hart – moeten we waakzaam zijn. We worden aangespoord om uit te zien naar tekenen van Gods aanwezigheid in deze wereld, naar tekenen van de komst van zijn Koninkrijk, dat er zeker wel anders zal uitzien dan wij ons voorstellen. Waakzaam zijn, zegt Jezus, onze verwachtingen koesteren en telkens opnieuw bijstellen, en tegelijkertijd die Gods belofte levendig houden in ons midden, en doorgeven.
Waakzaam zijn. Dat is meer dan passief afwachten. Het betekent dat we alert moeten zijn en actie ondernemen, voegt het evangelie er aan toe. Handen uit de mouwen steken, ook als vreemdeling en voorbijganger in deze wereld. Een significante actie is bijvoorbeeld aan vreemdelingen in ons midden geven wat hen toekomt. Dus steeds alert uitkijken waar ze zijn, die vreemdelingen, de mensen die er niet bijhoren, de mensen die we gemakkelijk links laten liggen, de mensen die we met de nek aankijken omdat ze anders denken dan wij, omdat ze anders voelen dan wij, omdat ze anders doen dan wij.
Wie voor de vreemdeling opkomt, zal zelf ervaren dat hij in deze wereld ook maar een vreemdeling en voorbijganger is. En dat zal ons stimuleren om te blijven uitzien naar het vaderland dat God beloofd heeft aan allen die hun hoop op Hem gevestigd hebben.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.