19e zondag door het jaar B 2018 B p

 12 augustus 2018                   (Viering)

Hou op met dat gemor!
[Jo. 6,41-51]

U kent ze beslist ook, mensen waar je niet vrolijker van wordt. Als ze hun mond opendoen is het gewoonlijk om te zeuren over alles en nog wat.
Ook in de Bijbel kom je dat volkje geregeld tegen. Vaak op religieus belangrijke momenten: God opent een nieuw perspectief… en het gemor steekt weer de kop op. Denk maar aan wat we vorige week te horen kregen. Op weg naar het Beloofde Land kreeg Mozes onder de neus gewreven: “We zijn het hier beu in die dorre woestijn. Leidt ons maar terug naar Egypte. Daar hadden we tenminste te eten”. Weg Beloofde-Land-perspectief.

Ook in onze evangelielezing beginnen de Joden te morren als Jezus even in zijn binnenste laat kijken wanneer Hij zegt: “Ik ben het brood om van te leven, brood dat uit de hemel is neergedaald”. Toegegeven, erg heldere taal is het niet. Maar als iemand iets zegt wat niet onmiddellijk duidelijk is, kun je op twee manieren reageren. Ofwel vraag je je af: “Wat bedoelt Hij daarmee? Wie is die man die zo iets zegt van zichzelf?”. Ofwel reageer je zoals die mopperaars: “Wat voor praat… en dat komt uit de mond van de zoon van een timmerman hier uit de buurt. Pffff…laat Hem maar leuteren.”

Twee voorbeelden van religieus gemopper uit lang verleden dagen. Maar laten we eerlijk zijn… met ons is het vaak niet anders. Vluchten wij niet weg in gemopper en andere platitudes als Gods Woord ons uitdaagt om onze nek uit te steken, om stappen te zetten die op het eerste gezicht niet zo aantrekkelijk lijken?
Zulk gezeur en gemopper dwarsboomt Gods bedoelingen, sluit toekomst af. Daarmee wordt God en zijn voortdurend bezig-zijn met mensen en ten dienste van mensen voor blok gezet. Het gebeurde in Bijbelse tijden, maar ook nu, binnen de Kerk, binnen onze eigen geloofsgemeenschap. Mensen die vastgebakken zitten aan zekerheden van ‘zo is het altijd geweest’, zijn niet geïnteresseerd in iets nieuws, die vragen zich niet verwonderd af: ‘Waarover gaat het eigenlijk?’. Nee, die mopperen, en preutelen tegen.
Dat volkje krijgt in onze evangelielezing van Jezus een figuurlijke draai om de oren: “Hou toch eens op met dat gemor”.

Zich kunnen verwonderen is een fundamentele deugd van gelovigen die bereid zijn zich te engageren in Gods avontuur met de mens. Met mensen die zich kritisch afvragen “Wat bedoelt Jezus als Hij zegt ‘Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald, brood om van te leven’”, kan Jezus op stap. En dus moeten we proberen op die vraag het antwoord te vinden.

‘Brood om van te leven’ betekent in de eerste plaats dagelijks brood op de plank. Liefst een paar sneetjes wit of bruin, elke morgen en avond. Als het even kan met wat kaas of charcuterie erop. En ’s middags soep en aardappelen. Maar wat heb je aan brood en aardappelen als je geen dak boven je hoofd hebt? En behalve eten, willen we er ook behoorlijk gekleed bijlopen. Als het kan graag ook een abonnement op de krant. En net als iedereen ook een TV en een auto. Allemaal dingen die we bedoelen als we zeggen: Geef ons heden het dagelijks brood dat ons leven leefbaar maakt. Maar daarmee is ‘geluk’ nog lang niet verzekerd.

‘Brood om van te leven’ is ook aandacht: een partner, een vriend of een vriendin die zorg aan ons besteed, door wie je je ten volle geaccepteerd weet. En we willen ook dat anderen het goed hebben, dat het er in onze samenleving rechtvaardig aan toe gaat, dat mensen, veraf en dichtbij, kunnen samenleven in vrede.
‘Brood om van te leven’ moet ons ook gelukkig kunnen maken. Samen met mensen die ons trouw zijn, aan wie wij trouw zijn.

En over dat brood, zegt Jezus: “Dat ben Ik. Daarvoor ben Ik uit de hemel neergedaald. Mijn leven, mijn boodschap is erop gericht dat mensen ‘geluk’met en voor elkaar zouden verwezenlijken. Ik wil daartoe inspiratie zijn, voeding, kracht: wie mijn Woord beluistert en ter harte neemt, komt er als vanzelf achter hoe en waar hij anderen een beetje meer gelukkig kan maken”.

Om dat alles te mogen beleven komen mensen bijeen om samen brood te breken in gedachtenis aan die Jezus. Zij leggen hun vreugden en hun zorgen op zijn tafel, biddend dat Hij voor hen het brood zou willen zijn dat hun leven leefbaar maakt.
Dat is wat hier in de kerk gebeurt: alles wat brood-waar-mensen-van-leven betekent, is hier aan de orde. Op die manier is Jezus hier onder ons werkelijk aanwezig, met zijn boodschap, zijn leven, zijn geloof, zijn lijden. Hier wil Hij telkens weer verrijzen in mensen die, door Hem gevoed, zelf tot Jezusbrood geworden zijn. Mensen die, van deze tafel opgestaan, zijn boodschap, zijn leven, en zijn geloof in mensen willen belichamen en uitdragen. Mensen die, zoals Hij, brood willen zijn waarvan anderen kunnen leven.
* * *
De laatste jaren zijn velen uit onze kerken weggebleven. Hoe is het zover kunnen komen? Ik denk, naast wellicht nog anderen redenen, dat zij het gevoel kregen dat rond deze Jezustafel, hun leven niet meer ter sprake kwam. Ze beleefden er niets meer. Ze hadden het gevoel dat een eucharistieviering helemaal gefocust staat op Christus en zijn reële aanwezig­heid in de gedaante van brood en wijn; dat al wat hier gebeurt iets eiland-achtigs heeft, iets dat los staat van, niet-betrokken op hun dagdagelijkse leven en de zorgen waar ze ’s nachts wakker van liggen. En dus hebben ze afgehaakt.
Als dat juist is, dan is dat een verwijt aan de Kerk die levensvreemd is geworden. Maar misschien ook een verwijt aan ons die hier wel aanwezig zijn. Misschien laten wij ons hier door Jezus onvoldoende voeden, onvoldoende inspireren en motiveren om, als mensgeworden Jezusbrood, ook buiten deze vier muren voor anderen brood te zijn waarvan zij kunnen leven.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.