19e zondag door het jaar A 2017 p

13 augustus 2017           (Viering)

Een zachte bries, een uitgestoken hand. (Mt. 14,22-33 ; 1 Kon. 19,9a.11-13a)

Hoe begon onze evangelietekst? “Na de brood­ver­menigvuldi­ging dwong Jezus zijn leerlingen om aan boord te gaan”. Na de broodvermenigvuldiging  ‘dwingt’ Jezus zijn leerlingen. Zoiets horen we niet zo vaak.
Net als die massa anderen hadden ook de leer­lingen zich te goed gedaan aan die reuze picknick, daar op het strand bij het meer van Genezareth. En toen zij de zon zagen zakken in de zee, voel­den zij zich ver­za­digd en lekker loom. Blijkbaar wilde Jezus voor­ko­men dat ze zich zouden nestelen in die lekkere loom­heid. Daarom wierp Hij de leerlingen terug op zichzelf, de boot in, alleen op het uitgestrekte meer.

Daar zitten ze dan: met hun twaalven – Petrus aan het roer – op weg naar de over­kant, midden in de nacht, wind tegen. Een ferme wind die de golven hoog op­jaagt. Ook al zijn de meeste van hen beroepsvissers, toch slaat pa­niek toe. Schrik en radeloos­heid vertroebelen hun blik: vanuit het duister komt Jezus naar hen toe… maar ze herken­nen Hem niet. Ze me­nen een spook te zien.
Zulke dingen kunnen ge­beuren als men kapot zit van angst: vrienden gaan er uitzien als vijanden; een uitge­stoken hand lijkt een vuist. Angstige mensen zien soms dingen die er niet zijn. Bange mensen weten niet meer hoe en waarheen ze moeten kijken. Sommigen kunnen het alleen nog maar uitschreeu­wen. Zoals die paniekerige leerlingen, in dat bootje, midden in de nacht.
Anderen kruipen weg voor zich­zelf, verstoppen zich, desnoods in een grot waar ze het liefst stille­tjes willen doodgaan. Zoals Elia in onze eerste lezing. Hij kon de pesterijen en de tegen­kanting niet langer aan; hij was zijn profe­tenjob kotsbeu. God kon, wat hem be­trof, nu  de pot op.

Wat moet je zeggen tegen mensen in nood? Aan grote woorden of mooie theorieën hebben ze geen boodschap. Wat ze nodig hebben is houvast: iemand die je een gevoel van veiligheid geeft, iemand op wie je kunt ver­trou­wen, bij wie je altijd mag aankloppen. Dat is een fundamenteel mense­lijke behoef­te. Als je je nergens geborgen weet … is het huis van je leven op zand gebouwd. Bij de eerste de beste windstoot stort het in elkaar.
In ons evangelieverhaal biedt Jezus die geborgen­heid aan met heel simpele woorden: “Rustig maar. Ik ben het. Wees niet bang”. Iets dergelijks ook in onze eerste lezing. Daar zegt God: “Kom naar buiten, Elia, kom uit je grot, uit je cocoon. Ik ben er, Ik kom naar je toe”. Sidderend en bevend voor die directe confrontatie met God himself, kruipt Elia langzaam naar de uitgang van de grot. En wat ge­beurt er? Niets groots, niets angstaanja­gends. In de storm die bergen doet splijten en rotsen verbrij­zelt, is de Heer niet… De aarde staat niet in vuur en vlam, ze beeft niet op haar grondvesten als je de Heer naar je toekomt… Elia herkent God in de eenvoud van een zachte bries. Zijn angst smelt weg voor die zachte veiligheid van Gods nabijheid. Dat is dus Diegene waarvoor hij op de loop was gegaan. Be­schaamd en dank­baar tegelijk kruipt Elia naar buiten en laat zich door die zachte bries omarmen.

Zodra Jezus zegt “Ik ben het”, herkennen zijn onthutste vrien­den Hem. Elk op zijn eigen manier. Voor de een betekent Jezus licht, voor de ander waar­heid, voor een derde de weg, voor weer een ander opstan­ding en leven. Hij is brood en wijnstok, goede herder, of misschien een combina­tie van deze en nog andere kwalitei­ten.
Als je weet wie de ander voor je is en wat je aan hem/haar hebt, dan kan je dat geruststel­len en hoef je niet meer bang te zijn. Een ander herkennen betekent ook dat je jezelf herkend weet.

Geborgenheid aangereikt krijgen, je bij iemand veilig mogen voelen, is een moed-gevende, dank­baar-makende ervaring. Zie naar Petrus. Heel en al idealisme, en tegelijk bijzonder kwetsbaar. Net als wij. “Heer, als Gij het zijt, laat me dan over het water naar U toekomen”. En Jezus zegt: “Kom”. Petrus zei niet: “Als Gij het zijt, kom ik onmid­dellijk naar U toe”. Neen. Hij wil uitgeno­digd wor­den; hij wil Jezus “Kom” horen zeg­gen. En zodra dat woord klinkt, stapt hij zonder naden­ken overboord, en loopt over het water naar Jezus toe. Het onmoge­lijke gebeurt… Het onmogelijke gebeurt zolang hij zijn ogen op Jezus gericht houdt, zolang hij zijn zelfver­trouwen in Jezus verankert. Maar zodra hij zich laat opnieuw intimide­ren door de hoog opslaande golven, steekt de angst weer de kop op, en gaat het fout. Zijn zelf­ver­trou­wen smelt weg, en hij voelt zich wegzakken.
Meteen steekt Jezus zijn hand uit. Door dat simpel gebaar slaat bij Petrus de angst weer om in vertrouwen.

Een uitgestoken hand: Zij grijpt jou niet. Zij laat zich grijpen. Jíj moet die hand grijpen. Jezus kan vele handen naar jou uitsteken: de hand van een vriend of van een vreemdeling, een eeltige werkershand of een onschul­dig kin­derhand, de hand waarvan je eerder dacht dat het een vuist was. Uitgestoken Jezushanden uit onverwachte hoe­ken – meer dan je denkt – die je willen bevrijden van je angsten, die je willen opvissen, zelfs uit woeste wateren.
Maar je moet die handen wel willen zien. En ze willen grijpen. Je moet je durven laten omarmen door de zachte bries van Gods nabij­heid. Je moet de grot van de angst durven verlaten, om te kunnen thuiskomen in het Godshuis van vertrouwen.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.