18e zondag door het jaar C 2013

  4 augustus 2013                             (Viering)
Hiernamaals? Een kwestie van hierNUmaals (Lc. 12,13-21)
Twee die ruziën om een erfenis. Een oud, maar altijd weer actueel verhaal. Als er wat te krijgen is waarvoor men niets heeft moeten doen, komt vaak schrijnend aan het licht hoe inhalig mensen kunnen zijn. In hoeveel families spreekt de een niet meer tegen de ander als gevolg van een erfeniskwestie?
In het Israël van destijds was het blijkbaar niet anders. Dergelijke conflic­ten werden toen beslecht door rabbij­nen. Als juris­ten, gespecia­liseerd in de Wet van Mozes, werden zij geacht recht­vaardig te kunnen oordelen.
Maar bij Lucas doet de jongere broer zijn beklag bij Jezus, in de hoop dat die zijn oudere broer op het matje zal roepen. Maar Jezus voelt zich niet geroepen om zich in te laten met dit rabbij­nen­zaken: “Man, wie heeft mij als scheidsrechter tussen u beiden aangesteld?”

Jezus wuift wel de vraag weg, maar niet de ruziënde broers.
“Pas op voor iedere vorm van heb­zucht!” is zeker een waarschuwing aan het adres van de oudste die thuis de erfenis zit te bewaken. Maar geldt ook – misschien wat vreemd op het eerste gezicht – de jongste die in de luren wordt gelegd. Uiter­aard heeft die recht op zijn erf­deel. Jezus heeft rechtmatig verworven bezit nooit bekritiseerd. Maar het is ‘hebbe­righeid’ die Hem irri­teert, ver­slaafd-zijn aan het mate­riële. Ook al is juri­disch alles dik in orde, dat betekent nog niet dat er moreel geen vuiltje aan de lucht is. Dat onderscheid tussen recht en moraal, tussen wettelijk in orde en de morele kant van de zaak, illustreert Jezus met zijn parabel. De rijke boer die Hij ten tonele voert, is een goede commerçant die zich uitslooft voor zijn zaak met in z’n achter­hoofd: “Nu flink werken, dan kan ik later rentenie­ren”. “Dat is dwaas”, vindt Jezus, “want morgen kun je dood zijn”.

Wellicht vinden de meesten van ons dat nog niet zo dwaas. Waarom zouden wij er niet voor mogen zorgen dat wij op onze oude dag nog wat kunnen profiteren van wat wij in de loop der jaren opzij hebben gelegd? Verongelukken of een plotse hart­stilstand is natuurlijk nooit uitgesloten, maar met een gemid­delde leeftijd van pakweg 80 jaar zit het er dik in dat mensen nog ettelijke jaren rustig van hun pensioen kunnen genieten. Toegegeven, in Jezus’ tijd stierven mensen gemiddeld rond hun 35-ste. Maar een appeltje voor de dorst reserveren ronduit ‘dwaas’ noemen, lijkt toch wat overdreven.

Dat klopt. Alleen… is dat niet de boodschap van deze parabel. Luisteren we nog eens goed naar het slot ervan. Jezus laat God tot de rijke boer zeggen: ‘Gij hebt voorraden vergaart voor uzelf, maar wat hebt ge daaraan als ge dood gaat? Niets. En ook niemand anders heeft er wat aan, want, terwijl gij voor God met lege handen staat, ligt uw graan in uw grote schuren te rotten. Dat is dwaasheid’.

Het probleem is niet dàt iemand wat bezit; ook niet dat hij zijn bezit verstandig beheert. Het probleem is… hebberigheid. De man uit onze parabel heeft niet alleen goed geboerd, hij is vooral iemand die alleen maar ‘ik’ kan zeg­gen: “Wat moet ik doen? Ik heb geen ruim­te… Dit ga ik doen­… Ik breek mijn schuren af en bouw grotere. Daarin zal ik… en dan kan ik…”. In een paar lijntjes, zes keer ‘ik’. Verslaafd aan ‘ik’ en aan ‘ik heb’. En wat ik nu nog niet heb, krijg ik morgen misschien te pakken. Dié mentaliteit klaagt Jezus aan: zelfgenoegzaamheid die anderen wantrouwt en de eigen graanschuur tot afgod maakt: ‘Ik ben wat ik heb’.
“Dwaas”, zegt God, “want eens dood, heb je niets meer en dus ben je niets meer”.

Jezus veroordeelt in deze parabel de inhaligheid die een mens gevan­gen houdt binnen een materieel en egocentrisch bestaan. De zucht naar steeds meer fixeert je zó op jezelf dat je de ander in zijn behoeftigheid niet meer ziet. Welgestelden lopen behoorlijk risico om daar het slachtoffer van te worden, zeker in een kapitalis­tische maatschappij waar geld en goed zich voortdurend willen vermenig­vuldigen. Maar ook een arm iemand kan zozeer opgeslorpt geraken door de zorg om te overleven dat najagen van het materiële uitgroeit tot een ‘idée fixe’ waarvoor alles en iedereen moet wijken.

Dat ik ‘arm’ en ‘rijk’ zomaar  naast elkaar zet, heeft iets onrechtvaar­digs. Wie voor zichzelf en zijn kinderen niet kan doen wat doorsnee-anderen zich wel kunnen permitteren, is er uiteraard op uit om meer te hebben. Wie daarentegen geld genoeg heeft, kan gemakkelijker zeggen dat geld niet het belangrijkste is in het leven.
Welgestelden moeten beseffen dat armoede een te bestrijden kwaad is, dat welvaart ont­plooiingskansen biedt, een goed is dat eerlijk verdeeld dient te worden. Dàt wil Jezus ons met zijn parabel duidelijk maken: De rijke boer vergaarde schatten voor zichzelf en potte ze op, in plaats van ze te delen en te laten renderen voor anderen. Armoede appelleert de verantwoordelijkheid van de gegoeden. Zich op God en zijn Rijk oriënteren kan niet zonder te erkennen dat mensen verantwoordelijk zijn voor elkaar: hij die de mogelijk­heden heeft, dient zich in te zetten om anderen moge­lijkheden en ontplooiings­kansen aan te reiken. Dit kan bijvoorbeeld door het steunen van acties en projecten ten bate van de derde of de vierde wereld. Maar er is veel meer nodig dan aalmoe­zen. Er is vooral een mentaliteitswijziging nodig. We moeten opkomen voor een cultuur waarin de arme, de mens in nood, centraal staat. Het christe­lijk appèl tot solidari­teit tussen rijk en arm, zowel binnen onze eigen samenleving als op wereldschaal, staat haaks op het mach­tige en het ons zo ver­trouwde mechanis­me van de vrije markteconomie dat rijken rijker en armen armer maakt.

Het Rijk Gods heeft wel degelijk ook te maken met materiële be­staans­condities. Niet alleen met de graanschuren uit onze parabel maar ook met de graanschuren van deze wereld; niet alleen met erfenisrechten maar ook met mensenrechten. Het Rijk Gods heeft te maken met hen die doodgedrukt en doodgezwegen worden, en wier opstanding gedwarsboomd wordt door die ‘rijke’dwazen’ die slechts schatten voor zichzelf verzamelen en met lege handen voor God zullen staan.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.