17e zondfag door het jaar A 2020 p


Op Schattenjacht (Mt.13,44-46 [niet: 47-52]; 1 Kon. 3,5.7-12)    (Viering)

“Wat wilt u dat Ik u geef?” vroeg God. Koning Salomo wist niet wat hij hoorde.
Sprookjestaal in onze eerste lezing? Sprookjestaal daarnet ook in onze evangelielezing: “Er was eens een koopman die een pracht van een parel vond…”; “er was eens een man die in een akker een schat aantrof…”?
Verhalen over rijkdom en schatten horen niet alleen thuis in kindersprookjes. Ze zijn van alle tijden, van alle culturen, van alle leeftijden. Voortdurend lopen we met onze metaaldetector rond op zoek naar de koperen ketel vol gouden munten. We pluizen reclamefolders uit: want stel je voor dat die onbetaalbare droom uit de etala­ge eenmalig met grote korting wordt aangeboden, en dat je het niet geweten hebt… En in soldentijd is het in de win­kelcen­tra ellebogenwringen op zoek naar schatten die je voor een appel en een ei op de kop kunt tikken. Natuurlijk maakt geld niet geluk­kig, maar het is wel handig als je het hebt. Wat zou je niet alle­maal kunnen doen… als de zes juiste Lottoballetjes uit de trommel wilden rol­len?

Mensen zijn van oudsher schattenjagers en goudzoekers. Daar spelen onze lezingen van­daag op in. Schatten lijken er gewoon voor het oprapen te liggen. Maar ze zijn niet gratis of spotgoedkoop. Je moet er wel wat voor over hebben: “alles wat je bezit”, zegt onze parabel.
Als de bijbel het heeft over ‘schatten’ en ‘parels’, gaat het gewoonlijk niet over goud of edelstenen. Ook wij gebrui­ken het woordje ‘schat’ in overdrachtelij­ke zin.
– “Mijn allerliefste schat” fluisterde hij haar in het oor…
–  Iemand die zijn puberjaren ontgroeid is, kun je wel eens horen zeggen: “Ik heb schatten van ouders”.
– In het cafetaria van het woonzorgcentrum Molenheide vertelde een man mij – hij leed aan de ziekte van Parkin­son – dat een buur­vrouw van destijds hem nu wekelijks komt bezoe­ken: “Acht jaar lang woonden wij praktisch naast elkaar, zij weduwe, ik weduw­naar. En al die tijd heb ik nooit gewe­ten dat Angela zo’n schat van een vrouw is”.
Het woordje ‘schat’ staat hier telkens in een context van liefde, van genegenheid en vriendschap. En daarmee zitten we op de lijn van Gods Boodschap. Want “God is Liefde”.

“Het gaat met het Koninkrijk der hemelen als met een schat, in een akker verborgen. Toen iemand hem vond, ging hij van blijdschap alles verkopen wat hij bezat en kocht die ak­ker.” De schat Gods, de liefde die kenmerkend is voor Gods Rijk onder ons, vraagt – aldus de parabel – dat we ons hele hebben en houden ervoor over hebben. Dat is nogal wat.

In feite gaat het maar om één ding: afstand doen van al wat liefde in de weg staat, dat is afstand doen van ons overtrokken gericht-zijn op onszelf, ons eigen ego durven loslaten.
Als het gaat om de liefde tussen twee mensen, is het duidelijk dat egoïsme bedreigend is. Je kunt maar liefde ontvangen als je bereid bent liefde te geven. Maar de liefde die kenmerkend is voor het Rijk Gods gaat verder. Zij spiegelt zich aan de wijze waarop God de mens zoekt en liefheeft. Zoals de vader de verloren zoon. Zoals de herder het verloren schaap. Zo zocht Jezus Zacheüs op, Maria Magdalena, de overspelige vrouw, de arme, zieke en zondige mens. Jezus hield van hen, gewoon omdat zij mensen waren en Hij in hen zijn Vader herkende. De zwakke mede­mens is immers Gods uitverkoren woonplaats: “Wat je aan de minste van de mijnen gedaan hebt, heb je aan Mij gedaan”.
Koning Salomo maakte dezelfde soort keuze. Hij koos niet voor een lang leven, niet voor meer rijkdom of meer macht. Hij vroeg God om een luisterend hart dat duidelijk onderscheid kon maken tussen goed en kwaad zodat hij rechtvaardig zou kunnen recht spreken. Hij koos dus datgene waaraan, niet zozeer hijzelf, maar wel zijn volk deugd kon bele­ven. Zo deed ook Angela voor die parkinsonpatiënt.

Hoe moeilijk is het om je ego terzijde te schuiven en te kiezen voor de schat Gods? Als je dat zou vragen aan Angela, dan haalt die vermoedelijk glimla­chend de schouders op, niet goed wetend wat ze met die vraag aan moet. In haar aanvoelen heeft ze niets ingeleverd: oog hebben voor de ander is voor haar vanzelf­spre­kend, is een soort tweede natuur geworden.
Voor velen van ons ligt dat misschien een stukje minder eenvoudig: kiezen voor een ander betekent immers: niet kiezen voor jezelf. Wat ik verdien, gebruik ik dat om wat meer van het leven te genieten, of mogen die miljoenen uitgehongerde Zuid-Soedanezen en al die gevluchte Syriërs die van de hemelse dauw moeten leven, een beetje meegenieten? Kies ik voor mijn eigen carrière, voor meer invloed, of geef ik anderen ook een kans? Kies ik voor rust en zekerheid, of durf ik wel eens mijn nek uit te steken voor de goede zaak? Heb ik genoeg aan mijn eigen problemen, of heb ik ook nog een luiste­rend hart voor de problemen van anderen?
De keuze is aan ieder van ons.
Maar ik denk niet dat die kostba­re parel uit het evangelie voor de zwijnen was bedoeld.
Marc Christiaens o.p.

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.