17e zondag door het jaar B 2018 p


20 juli 2018            (Viering)

Het teken van de brooduitdeling (Jo 6,1-15)

“Jezus trok het gebergte in en ging daar zitten met zijn leerlingen… Toen Hij zijn ogen opsloeg, zag Hij dat een massa mensen naar Hem toestroomde” (v.3;5).
Het lijkt wel dat Jezus ’toevallig’ merkte dat er nog 5000 mensen achter Hem aan liepen. Klinkt wat raar in mijn oren. Maar onze evangelist is wel duidelijk waarom die 5000 Jezus gevolgd zijn: “Omdat [en let op het woordge­bruik] ze de teke­nen gezien hadden die Hij aan de zieken verrichtte” (v.2). Na de broodver­menigvul­di­ging komt datzelfde woord terug: “Bij het zien van het teken dat Jezus verricht had, zeiden de mensen…”(v.14). Zieken genezen, brood verme­nig­vuldigen zijn dus ’tekens’. ‘Teken’ is het sleutel­woord in deze tekst. Johannes geeft ermee aan hoe je tegen de wonderdaden van Jezus moet aankijken.

Een teken is een verwijzing, een aanwijzing. Een bordje langs de weg met daarop ‘bushalte’ is een teken dat aangeeft dat, als je op die plaats blijft wachten, zal de bus die je nodig hebt, daar stoppen. Op zich heeft zo’n bordje nauwelijks betekenis: hoe het eruit ziet, wanneer of door wie het geplaatst werd, is totaal onbelangrijk. Het enig belangrijke aan dat bordje is de link met de autobus. Het is slechts relevant als teken, als ver­wijzing, als in­stru­ment van bemid­de­ling tussen hetgeen nog niet zicht­baar is, en de mens die ernaar op zoek is.

Als Jezus over zichzelf praat, dan klinkt dat vaak alsof ook Hij een teken is: “Wie mij ziet, ziet de Vader”; wie Mij met de juiste ogen aankijkt, wie kijkt in de richting die ik aan­wijs, komt bij de Vader uit. Als Jezus een wonder doet – zegt Johannes – dan is ook dat een teken, een richtingaanwij­zer hoe je naar de Vader op weg moet gaan. Andere overwe­gin­gen i.v.m. ‘wonderen’ doen nauwelijks of niet ter zake.

Terug naar de broodvermenigvuldiging. Zo noemen wíj dit verhaal gemakshal­ve, maar dat woord komt niet voor in onze tekst. Er staat ook nergens dat Jezus van 5 gerstebro­den 5000 gerstebroden heeft gemaakt. Er is wel sprake van ‘brood uitde­len onder de aanwezigen’ (v. 11). ‘Delen’ is wat anders dan ‘vermenig­vuldi­gen’!

De vier evangelisten vertellen dit verhaal in totaal zes keer. Geen van de zes vermeldt wat er op die berg precies is gebeurd. Het begint telkens met enkele broden; Jezus neemt ze aan, dankt de Vader ervoor, deelt ze uit of laat ze uitde­len. En telkens ein­digt het met manden vol overschot. Wat tus­sen dat begin en het einde is gebeurd, blijft onvermeld. Het wat en het hoe van een wonder doet immers niet echt ter zake… behalve op één punt: het wonder moet een teken zijn; er moet uit blijken dat Jezus de mensen van toen – en ook van nu – een aanwijzing geeft welke rich­ting ze uitmoeten met onze wereld, de richting namelijk die zijn Vader ge­droomd heeft toen die de mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis, en die mens aanstelde tot be­heerder van de schepping. Op voor­waarde dat dit teken­karakter gega­randeerd is, zijn we dus vrij om zelf in te vullen wat er met dat brood zoal kan gebeurd zijn.

Wat mij betreft, stel ik mij de gang van zaken als volgt voor. Een massa mensen staat al een heel lange tijd te luisteren naar Jezus die onderricht geeft. Een van die luisteraars heeft zin in een knabbeltje. En terwijl hij naar zijn knapzak grijpt, ziet hij een meter verder een man onderdrukt geeuwen – die heeft blijkbaar ook honger, maar die heeft geen eten bij. Terwijl hij Jezus bezig hoort, beseft die knapzak-bezitter plots dat zijn proviand wel eens voor hen beiden be­stemd zou kunnen zijn. Een wat ongemakkelijke gedachte dringt zich op: moet hij die geeuwer nu een boterham aanbieden of niet? Zover komt het niet. Wat gegeneerd durft hij niet iets uit zijn knapzak halen, ook niet voor zichzelf.
Toen er wat later vooraan ge­vraagd werd of er iemand wat eten bij zich had, gaf hij zijn broodzak aan zijn zoontje om die tot bij Jezus te gaan brengen. Die nam het brood aan en sprak een dankgebed uit. En toen Hij het brood brak, begon iedereen die brood bij zich had, dat te breken en te delen met wie in zijn buurt niets mee had. En dan kan het best dat op het eind, toen iedereen vol­daan was en er opgeruimd werd, elke apostel met een volle mand over­schot kwam aanzetten.

De moraal van het verhaal: In Jezus’ tegen­woor­digheid kunnen individu­en omgevormd worden tot een gemeen­schap. In zijn tegenwoordigheid kunnen wij omgevormd worden tot, wat genoemd wordt, ‘volk van God’. Het brood, dat wij ‘als kinde­ren van dezelfde Vader’ breken, kan onder onze handen vermeer­deren: het weinige dat vanuit een goed hart gedeeld wordt, kan velen redden van de honger. Als dat geen wonder is.

Vindt u dat ik het bovennatuurlijke teveel heb weggere­deneerd? Geen probleem. ‘Wat er precies gebeurd zou kunnen zijn’ mag u zelf naar eigen goeddunken invullen. Alleen mag u niet vergeten dat, wat wij een ‘won­der’ noe­men, niets met toverij te maken heeft, dat onze evange­list het woord ‘wonder’ zelfs niet in de mond neemt, en dat hij het enkel heeft over ’tekenen’ die Jezus deed.

Zich fixeren op het onverklaarbare of het buitengewone van het gebeuren, houdt overigens een risico van misverstaan in. Dat overkwam die massa die het aan den lijve had meege­maakt. Ze waren zeer onder de indruk van wat Jezus gefixt had: door onderling te doen delen had niemand nog honger. Zo iemand laat je niet zomaar gaan. Die zal ook andere proble­men in een handomdraai kunnen op­los­sen. Die zal ook op andere ter­rei­nen mense­lijke ver­houdin­gen ten goede kunnen keren. Zo’n man wilden ze als koning, een koning die voor hen Gods hemel op aarde zou realise­ren.
Ze hadden het teken niet begrepen. Ze hadden niet begrepen dat “uw Rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel” geen koningszaak is, maar een zaak van allen: samen Gods goedheid vermenig­vul­digen door voor elkaar delende mensen te zijn.

En toen de menigte zich van Hem wilde meester maken om Hem tot koning uit te roepen, besefte Jezus dat tegen hun fanatiek enthousiasme geen kruid gewassen was. Hij trok zich dus terug, geheel alleen, dieper het gebergte in. “Morgen” zo dacht Hij “als een en ander wat bekoeld is, zal Ik het teken van de brooduitdeling nog eens uitvoerig uitleggen. Misschien lukt het me alsnog om hun dat misverstand over dat koningschap uit het hoofd te praten”.
En hoe het Jezus ’s anderendaags verging… dat verneemt u in de evangelielezing van volgende week.
Marc Christiaens o.p.

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.