17e zondag door het jaar A 2017 p

30 juli 2017                   (Viering)

Op Schattenjacht (Mt.13,44-46 [niet: 47-52]; 1 Kon. 3,5.7-12)

“Wat wilt u dat Ik u geef?” vroeg God. Koning Salomo wist niet wat hij hoorde.
Sprookjestaal in onze eerste lezing? Sprookjestaal daarnet ook in onze evangelielezing: “Er was eens een koopman die een pracht van een parel vond…”; “er was eens een man die in een akker een schat aantrof…”?
Verhalen over rijkdom en schatten horen niet alleen thuis in kindersprookjes. Ze zijn van alle tijden, van alle culturen, van alle leeftijden. De jacht op schatten is het hele jaar open. Voortdurend lopen we met onze metaaldetector rond op zoek naar de koperen ketel vol gouden munten. We pluizen reclamefolders uit: want stel je voor dat die onbetaalbare droom uit de etala­ge eenmalig met grote korting wordt aangeboden, en dat je het niet geweten hebt… En in soldentijd is het in de win­kelcen­tra ellebogenwringen op zoek naar schatten die je voor een appel en een ei op de kop kunt tikken. Natuurlijk maakt geld niet geluk­kig, maar het is wel handig als je het hebt. Wat zou je niet alle­maal kunnen doen… als de zes juiste Lottoballetjes uit de trommel wilden rol­len?

Mensen zijn van oudsher schattenjagers en goudzoekers. Daar spelen onze lezingen van­daag op in. Schatten lijken er gewoon voor het oprapen te liggen. Maar ze zijn niet gratis of spotgoedkoop. Je moet er wel wat voor over hebben: “alles wat je bezit”, zegt onze parabel.
Als de bijbel het heeft over ‘schatten’ en ‘parels’, gaat het gewoonlijk niet over goud of edelstenen. Ook wij gebrui­ken het woordje ‘schat’ in overdrachtelij­ke zin.
*”Mijn allerliefste schat” fluisterde hij haar in het oor…
* Iemand die zijn puberjaren ontgroeid is, kun je wel eens horen zeggen: “Ik heb schatten van ouders”.
* In het cafetaria van het rustoord Molenheide vertelde een man mij – hij leed aan de ziekte van Parkin­son – dat een buur­vrouw van destijds hem nu wekelijks komt bezoe­ken: “Acht jaar lang woonden wij praktisch naast elkaar, zij weduwe, ik weduw­naar. En al die tijd heb ik nooit gewe­ten dat Angela zo’n schat van een vrouw is”.
Het woordje ‘schat’ staat hier telkens in een context van liefde, van genegenheid en vriendschap. En daarmee zitten we op de lijn van de Blijde Boodschap. Want “God is Liefde”.

“Het gaat met het Koninkrijk der hemelen als met een schat, in een akker verborgen. Toen iemand hem vond, ging hij van blijdschap alles verkopen wat hij bezat en kocht die ak­ker.” De schat Gods, de liefde die kenmerkend is voor Gods Rijk onder ons, vraagt – aldus de parabel – dat we ons hele hebben en houden ervoor over hebben. Dat is nogal wat.

In zijn boek Vreemdeling in het Paradijs vertelt Henri Nouwen, bekend schrijver over spiritua­liteit, over zijn ervaringen in een trappistenklooster waarin hij zich gedurende zeven maanden had teruggetrokken. In die abdij brouwde men geen bier maar er was wel een rozijnenbedrijfje. Hij hielp daar broeder Theo­door. Op een dag stonden ze bij een oude spoel­machine waarin de rozijnen onder oorverdovend lawaai gewassen werden. Plots haalt broe­der Theodoor de hendel over en de motor valt stil. Nouwen vraagt wat er aan de hand is. “Een steentje”, zegt broeder Theodoor. Hij trekt de grote bak met rozijnen van onder de machine, zet zich op een stoel en laat de rozijnen zorg­vuldig door zijn handen glijden. Na drie kwartier laat hij triom­fante­lijk een kiezel­steentje zien: “Iemand had dit kunnen inslikken, of er zijn tanden op bre­ken”. Als een kostbare parel werd het steen­tje op de ven­sterbank gelegd. Achter dat steentje zat een onbekend iemand. Die mocht geen schade lij­den. Daar had broe­der Theodoor heel wat tijdverlies voor over.

Ik herhaal mijn vraag: Wat kost het ons om die schat Gods in handen te krijgen?
Het antwoord is even moeilijk als eenvoudig: We moeten afstand doen van al wat liefde in de weg staat. In feite gaat het maar om één ding: afstand doen van ons overtrokken gericht-zijn op onszelf, ons eigen ego durven loslaten. Dàt wordt bedoeld met ‘alles wat we bezit­ten’.
Als het gaat om de liefde tussen twee mensen, is het duidelijk dat egoïsme bedreigend is. Je kunt maar liefde ontvangen als je bereid bent liefde te geven. Maar de liefde die kenmerkend is voor het Rijk Gods gaat verder. Zij spiegelt zich aan de wijze waarop God de mens zoekt en liefheeft. Zoals de vader de verloren zoon. Zoals de herder het verloren schaap. Zo zocht Jezus Zacheüs op, Maria Magdalena, de overspelige vrouw, de arme, zieke en zondige mens. Jezus hield van hen, gewoon omdat zij mensen waren, en Hij in hen zijn Vader herkende. De zwakke mede­mens is immers Gods uitverkoren woonplaats: “Wat je aan de minste van de mijnen gedaan hebt, heb je aan Mij gedaan”.
Koning Salomo maakte dezelfde soort keuze. Hij koos niet voor een lang leven, niet voor rijkdom of voor macht. Hij vroeg God om een luisterend hart dat duidelijk onderscheid kon maken tussen goed en kwaad zodat hij rechtvaardig zou kunnen recht spreken. Hij koos dus datgene waaraan, niet zozeer hijzelf, maar wel zijn volk deugd kon bele­ven. Zo deed ook Angela voor die parkinsonpatiënt. Zo deed ook broeder Theodoor voor een onbekende rozijneneter.

Hoe moeilijk is het om je ego terzijde te schuiven en te kiezen voor de schat Gods? Als je dat zou vragen aan Angela of broeder Theodoor, dan halen die vermoedelijk glimla­chend de schouders op, niet goed wetend wat ze met die vraag aan moeten. In hun aanvoelen hebben ze niets ingeleverd: oog hebben voor de ander is voor hen vanzelf­spre­kend, is een soort tweede natuur geworden.
Voor velen van ons ligt dat misschien een stukje minder eenvoudig: kiezen voor een ander betekent immers: niet kiezen voor jezelf. Wat ik verdien, gebruik ik dat om wat meer van het leven te genieten, of mogen die miljoenen Zuid-Soedanezen en al die gevluchte Syriërs die van de hemelse dauw moeten leven, een beetje meegenieten? Kies ik voor mijn eigen carrière, voor meer macht, meer invloed, of geef ik anderen ook een kans? Kies ik voor rust en zekerheid, of durf ik wel eens mijn nek uit te steken voor de goede zaak? Heb ik genoeg aan mijn eigen problemen, of heb ik ook nog een luiste­rend hart voor de problemen van anderen?
De keuze is aan ieder van ons. Maar ik denk niet dat die kostba­re parel uit het evangelie voor de zwijnen bedoeld was.
Marc Christiaens o.p.

 

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.