16e zondag door het jaar B 2021 preek

Herder-zijn voor elkaar             (Mc. 6,30-34)

Deze evangelielezing is het vervolg van wat we vorige week hoorden. Toen werden de leerlingen twee aan twee uitgezonden. Vandaag zijn ze terug en brengen verslag uit over wat ze allemaal gedaan en meegemaakt hebben. Blijkbaar zijn ze in de wolken; hun eerste pastorale stagetocht lijkt geslaagd. Maar ze zijn wel moe. Zich met hart en ziel voor iets inzetten, kost energie. Daar kwam nog bij dat, door al dat heen en weer geloop van zoveel volk, er geen gelegenheid was om te eten. “Kom, zegt Jezus, we gaan naar een eenzame plaats; daar kunnen we eten, wat uitrusten, en weer op adem komen. En ook eens napraten over hoe jullie die verkondigingstocht beleefd hebben. Stap maar in de boot: ginds, aan de overkant van het meer, is het rustig”.  Dat Jezus zo’n time-out voorstelt, is niet zo verwonderlijk. Geregeld trok ook Hij – alleen, of met een paar leerlingen – zich terug op een eenzame plaats om zich te bezinnen, om te luisteren naar de stem van zijn Vader die Hem gezonden heeft.

Maar de opdringerige menigte heeft door wat Jezus en zijn leerlingen van plan zijn. Ze hollen over het strand naar de overkant van het meer, onderweg krijgen ze gezelschap vanuit de dorpen die ze passeren, en ze komen zelfs eerder aan op de plaats van bestemming dan Jezus en zijn gevolg. “Toen Jezus van boord ging, zag Hij een grote menigte, en Hij had zeer met hen te doen omdat ze als schapen zonder herder waren, en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.”. Geen time-out dus.
Het raakte Jezus diep dat die mensen Hem deden denken aan ‘schapen zonder herder’. In het Bijbelse spraakgebruik verwijst het woord ‘herder’ naar politieke en religieuze leiders. Maar kennelijk beantwoordden de herders van toen niet aan de verwachtingen van veel van hun schapen, Zij leken eerder op de herders die destijds door de profeten waren veroordeeld.
Jezus was van een ander kaliber. Hij onderrichtte niet als de Schriftgeleerden maar met gezag (Mc. 1, 22). Bij Hem zochten ze hun heil. In Hem herkenden zij de door de profeten in Gods Naam beloofde Goede Herder. (Ik verwijs naar de profeet Jeremia die aan het woord was in onze eerste lezing).

Vandaag spreken we niet zo gemakkelijk meer over herders en schapen in de Bijbelse zin van het woord. Niemand wil nog graag ‘een schaap’ genoemd worden. Maar toch zijn er ook op onze dagen heel wat mensen op de dool als schapen zonder herder. Mensen die hun thuisstal ontvlucht zijn omwille van oorlog of armoede, en in onze wereld hun weg niet vinden. Mensen uit onze kudde die verloren zijn gelopen en dakloos rondzwerven, en waar geen herder naar omziet. Mensen die het noorden zijn kwijt geraakt omdat het kompas van hun geweten doldraait. Jongeren die geen leidraad voor hun leven vinden of aangereikt krijgen en het allemaal zelf moeten uitzoeken.
Overal zijn ze, die schapen zonder herder, maar je moet ze wel willen zien! En dan kan de volgende stap gezet worden: doen wat binnen onze mogelijkheden ligt om voor hen de nodige herderlijke zorg uit te bouwen.
* * *
Mogen we met de ogen van deze parabel ook eens kijken naar onze katholieke Kerk? Is onze Kerk aan het doodbloeden door het toenemend priestertekort? Het lijkt wel zo als je ziet hoe de structuren evolueren: steeds grootschaliger – denk aan de ‘Pastorale Eenheden’ – geleid door steeds minder en steeds ouderwordende priesters. Een uitstervend ras. Over schapen zonder herder gesproken.
Is onze Kerk dus op sterven na dood? Dat zou ik zo niet durven zeggen. Niet de Kerk, maar het klassiek hiërarchisch kerkmodel is op sterven na dood. Het model waarin enkel gewijde priesters de herders zijn, en vanuit die positie de Kerk leiden van de top naar de basis.
Misschien kan een ander kerkmodel inspirerend werken. Ik denk aan het concept dat Paulus uittekende in zijn brief aan de Korintiërs. Daarin omschrijft hij de christelijke kerkgemeenschap als volgt: “Allen tesamen vormt gij het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk zijt gij de ledematen” (1 Kor. 12,27). Elk van die ledematen heeft zijn specifieke capaciteiten die bijdragen tot het goed functioneren van de totaliteit. Op basis van die specifieke gave heeft elk een eigen taak binnen het geheel. Over de gave van ‘herderschap’ spreekt Paulus niet uitdrukkelijk, maar hij noemt wel ‘het vermogen om leiding te geven’, ‘de gaven van wijsheid’, en ‘het overdragen van kennis’. Hem staat dus een meervoudig herderschap voor ogen, uitgeoefend door gelovigen op basis van hun specifieke kwaliteiten.
Vele kerkgemeenschappen beschikken over een reservoir van vrouwen en mannen, die bekwaam en bereid zijn om een herderlijke taak op te nemen. Mensen met de gave van het woord die Gods Woord kunnen verkondigen, mensen die verstand hebben van leiding geven en kunnen coördineren, mensen die kunnen luisteren en medemensen kunnen bezielen, mensen die kunnen voorgaan in samen bidden, mensen die de taal van jongeren kennen zodat ze hen kunnen begeleiden op weg naar bijvoorbeeld het sacrament van het vormsel. En noem maar op.
Als we het over roepingen hebben, moeten wij het afleren om enkel maar aan priesterroepingen te denken. Roepingen kunnen heel gevarieerd zijn. Tal van kerkgemeenschappen vermenigvuldigen hun aantal herders doordat ze specifieke capaciteiten van mannen en vrouwen laten renderen in dienst van het Rijk Gods.

Kerkgemeenschappen die zich blijven vastbijten in de klassieke priesterlijke invulling van ‘herderschap’, moeten beseffen dat dit wel eens zou kunnen uitdraaien op een vorm van ‘zelfdoding’.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.