16e zondag door het jaar C 2019 p

21 juli 2019                        (Viering)

Je Heer dienen kan op vele wijzen…
          (Lc. 10. 38-42)
Telkens ik dit evangelieverhaal lees word ik wrevelig! Dat was al zo vanaf mijn puberjaren.
Marta? Dat was ons mama! Zij was die diepgelovige vrouw die zich voor haar echtgenoot, haar vier kinderen en een inwonende grootvader,  van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat uitsloofde opdat wij niets zouden te kort komen.
En die Maria? Dat waren de zusters van de meisjesschool, met hun witte kappen die daar vooraan in de kerk op de eerste rij zaten.  Die zusters mochten een beetje dichter bij onze Lieve Heer zitten. En als de mis gedaan was, dan bleven de mensen eventjes wachten om de zusters te laten voorgaan. Die zusters ‘gingen’ niet naar buiten, zij ‘schreden’ de kerk uit, met op hun gelaat een glimlach van zalige vervoering! Echte Maria’s dus!

Maar er was nog meer dat mij ergerde. Als onze pater-pastoor (een karmeliet) moest preken over deze parabel, dan sprak hij de naam “Marta ! Marta!” uit met een verwijtend ondertoontje en met een opgeheven vingertje. Dat klonk in die tijd niet ongewoon. Dit verhaal werd toen van officieel kerkelijke zijde geïnterpreteerd als verklaring van de hiërarchie binnen de wereld van gelovigen. Uiteraard stonden leken onderaan de ladder. Priesters die in dienst van het bisdom de geloofswereld structureerden, stonden op de waarderingsladder een flinke trap hoger. Kloosterlingen die hun hele leven helemaal hadden toegewijd aan de Heer,  stonden nog een trapje hoger. Maar ook binnen het kloosterleven gold een soortgelijke waarderingshiërarchie. Contemplatieve ordes en congregaties die zich uit de wereld hadden teruggetrokken om als gemeenschap te leven in spirituele verbondenheid met de Heer, werden hoger gewaardeerd dan actieve ordes en congregaties die zich concentreren op specifieke apostolaatterreinen. Van waar dit hiërarchisch waarderingsonderscheid? Jezus had dit toch zelf  bevestigd toen Hij zei dat Maria het beste deel had gekozen…
Reeds als knaap had ik het hier moeilijk mee. In mijn ogen stond mijn mama minstens zo dicht bij onze Lieve Heer als de paters en de zusters die op de eerste rij zaten in de kerk. Ik was ervan overtuigd dat  voor moeders zoals de mijne in de hemel een bijzonder plaatsje gereserveerd was.

Dat laatste is natuurlijk juist, maar vroeger besefte ik niet dat je dit Bijbelverhaal niet zo wit-zwart mag interpreteren.  Zeker is dat Maria zich spiritueel openstelt voor Gods liefde. Maar Marta verdenkt haar zuster ervan dat ze zich koestert in een zalig gevoel: dicht bij de Heer zittend en met Hem babbelend, ziet zij over het hoofd dat er heel wat voorbereidend werk  te doen is als je zo’n hoge gast aan tafel krijgt, en dat daarvoor een paar extra helpende handen meer dan welkom zijn.
Bij Marta schuilt achter haar huishoudelijke inzet een diepgeworteld evenwicht tussen haar hunker naar het spirituele en haar aandacht voor de levensnoodzakelijke van alle dag. Marta weet wel dat Jezus een hoogst belangrijke boodschap uitdraagt, maar zij weet ook dat de Mensenzoon moet eten. Uit respect  voor Jezus wil ze een prima dinertje klaarmaken, maar tegelijk rekent zij erop dat, wanneer zij bij het dessert eindelijk ook rustig aan tafel kan gaan zitten, Jezus met haar een diepgaand gesprek zal voeren.

Als wij de evangelieverhalen lezen, moeten wij goed beseffen wanneer, door wie en voor wie ze geschreven zijn. Op het einde van de eerste eeuw bestonden nog geen kloosters zoals we die nu kennen. Wel moet in bepaalde kringen van het jonge christendom de gedachte gespeeld hebben om met religieus gelijkgezinden te gaan samenleven. (Denk aan de woestijnvaders waarschijnlijk  vanaf de 2de eeuw). Maar dat hield een groot risico in ten tijde van de christenvervolging. Pas na 315, wanneer het christendom door de Romeinen tot staatsgodsdienst werd verheven, werden de eerste christelijke kloostergemeenschappen gesticht.
Het is dus best begrijpelijk dat Lucas, in zijn tijd al, de verdiensten van het contemplatieve leven een boost wilde geven. Verschillende bijbelgeleerden sluiten niet uit dat Lucas er al van droomde om een kloostergemeenschap op te starten.

Maar de wereld ziet er vandaag anders uit. Gelukkig bestaan de contemplatieve orden nog en ik wil zeker hun belang niet onderschatten. Een moderne vorm ervan vind je bijvoorbeeld in Taizé. Maar ik denk dat er tegenwoordig ook een grote behoefte is aan Marta’s. Persoonlijk voel ik me meer aangesproken door het gemengde levenspatroon, zoals bijvoorbeeld de Dominicaanse familie. Hier gaat de aandacht zowel naar ‘actie’ in de vorm van verkondiging en diaconie, als naar het contemplatieve en het gebedsleven. Het ene wordt niet belangrijker dan het andere geacht, beide aspecten zijn evenwaardig.

Het is niet uitgesloten dat er hier in onze kerk enkele Maria’s zitten. Dat zou heerlijk zijn! Maar dat er onder ons heel wat Marta’s zijn, daar ben ik zeker van. (Marta’s kunnen ook mannen zijn!). Maar misschien weten ze niet hoe zij zich actief kunnen inzetten voor onze Witte-kerkgemeenschap. Zijn zij te bescheiden? Onderschatten zij misschien hun persoonlijke talenten?

De actieve aanpak van Marta is geen kwestie van grote woorden maar van kleine, alledaagse dingen. Zoals een storm die begint met een kleine rukwind, of zoals een brede rivier die ontspringt aan een kleine bron ergens in het bos, of zoals een grote brand die oplaait door het vlammetje van één enkele lucifer, of zoals liefde die begon met de streling van een schuchtere stem…
Paul Caroen

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.