15e zondag door het jaar C 2013

 (Viering)

Naaste worden (Lc. 10,25-37 ; Deut. 30,10-14)
Aanleiding tot het verhaal over een ‘barmhartige Samaritaan’ is de vraag van een wetgeleerde: “Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?”. Met een tegenvraag nodigt Jezus hem uit om zelf zijn vraag te beantwoorden. “God lief­hebben en uw naaste liefhebben als uzelf” luidt het. Voor gelovige joden klinkt dat antwoord zó evident dat de man zich genoodzaakt ziet zijn vraag te rechtvaardigen: “Ja maar, wie is mijn naas­te?”.

Daarmee snijdt de wetgeleerde een in die tijd heikele kwestie aan. Wie had Mozes op het oog toen hij voorschreef dat men zijn ‘naaste’ moest beminnen als zichzelf? Bedoelde hij dat men de mensen uit eigen kring moet liefhebben? Of zijn alle joden ‘naasten’? Er waren zelfs rabbijnen die beweerden dat ook niet-joden, vreemde­lingen, ‘naasten’ waren in de religieuze betekenis van het woord. En hoe zit dat dan met vijanden? Zijn dat ook ‘naasten’?
Onze wetge­leerde vraagt dus naar een defi­nitie, naar de grenzen van naasten­liefde: hoe ver moet ik gaan om met een gerust geweten te kunnen zeggen: ‘Ik heb gedaan wat ik moest doen. En dus heb ik mijn hemel verdiend.’?
Dat soort weegschaal-gepalaver ligt Jezus niet. En Hij vertelt zijn intussen overbekende parabel.

In onze westerse cultuur is ‘Wie is mijn naaste?’ geen echt punt van discus­sie. Ook niet-christenen vinden dat iedereen ‘onze naas­te’ kan zijn, en zeker de kwetsbaren en mensen in nood. Nationa­li­teit, ras, stand of godsdien­stige overtuiging doen niet ter zake. Wat telt is, dat, wie in nood verkeert, mens is zoals jij en ik. In onze samen­leving, hoe gese­culari­seerd ze ook is, wordt dat vrij algemeen geaccepteerd, min­stens toch als ethisch ideaal. Hulporgani­saties zoals het Rode Kruis, Memisa of Amnesty International zijn daar prachtige illustra­ties van. Ze laten zich, al of niet expliciet, inspi­reren door de para­bel van de Barmhar­tige Sama­ri­taan. Die heeft bij ons zelfs een wettelijke verankering gekregen: de priester en de leviet uit de para­bel zouden op vandaag door onze justitie vervolgd worden wegens schuldig verzuim, het niet verlenen van hulp aan een ­mens in nood. Zo zie je hoe een bijbelverhaal kan bijgedragen tot het Europese waardenaanvoelen. Dat mag ons best tevreden stemmen.

Toch zit er dikke adder onder het gras. Wat de christelijke traditie onder ‘mijn naaste’ verstaat, is niet hetzelfde als wat Jezus op het oog had met zijn parabel. Op de vraag ‘Wie is mijn naaste?’ zou de christelijke traditie antwoorden: “De man, die daar langs de weg lag, was de naaste van elk van de drie voorbijgangers.” Maar dàt antwoord moet Jezus niet hebben. Hij geeft aan de vraag van de wetgeleerde een draai van 180°, en zegt: “Wie van de drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van de rovers was geval­len?”. In de optiek van Jezus is ‘de naas­te’ niet degene aan wie naas­ten­liefde moet worden be­toond, maar degene die naasten­liefde beoefent! Een mens maakt dus zichzelf tot naaste in de mate dat hij de ander die hem nodig heeft, daad­werkelijk helpt. Jezus stelt hier dus ieder van ons per­soonlijk verant­woorde­lijk: door barmhartigheid te doen of niet te doen, bepaal jíjzelf of jij ander­mans naaste bent of niet.

Waarom de priester en de leviet hun verantwoordelijkheid niet opnamen wordt niet vermeld. Wellicht hadden ze zo hun redenen om met een boog om het slachtoffer heen te lopen. Misschien kon de een geen bloed zien en moest de ander op tijd in de tempel zijn om er voor te gaan in de viering –  ik zeg maar wat -, verzachtende omstandigheden waarvoor misschien nog enig begrip is op te brengen. Een soortgelijke afweging had ook die Samaritaan kunnen maken. Maar hij deed dat niet. De aanblik van een mens in nood trof hem tot in zijn diepste ik, en, door medelijden bewogen, schoof hij alle ratio­nele over­wegingen terzijde en trad op de man toe.

Woorden zoals ‘medelijden’ en ‘barmhartigheid’ liggen niet zo goed in onze mond. Ze hebben de softe bijklank van vroom­heid, van senti­mentali­teit. In onze parabel is daar echter niets van te merken. Zodra hij de weg van zijn hart is ingeslagen, blijkt onze Samaritaan een heel pragma­tische man te zijn die weloverwogen te werk gaat. Hij gaat naar de zwaargekwetste toe, verleent hem eerste hulp, tilt hem op zijn rij­dier en brengt hem naar een veilig onderkomen. Zorgt en verzorgt er het slachtoffer, waakt bij hem om te zien of het de goede kant opgaat. ’s Anderendaags draagt hij de zieke over aan de waard, betaalt de rekening en belooft even­tu­ele meerkosten te ver­goeden bij zijn terug­keer. Hij bouwt op die manier zelfs een zekere con­trole in op wat de waard beloofd heeft te doen.
Onze Samaritaan doet dus wat in eerste instantie gedaan moet worden. De rest laat hij over aan de verantwoordelijkheid (eerst) van de waard en (later) van het slachtoffer zelf. Hij laat zich door het gebeuren niet van zijn eigen ver­plichtingen afhouden. Hij neemt de draad van zijn persoon­lijke bezig­he­den weer op, zij het met een dagje vertraging.
Geen senti­menteel gedoe dus. Barmhartig­heid heeft niets van overdreven bemoede­ring. In meer heden­daagse bewoor­dingen: Men­sen die je op je weg ontmoet, kunnen soms iemand nodig hebben die hen meeneemt en hen over de drempel helpt van bijvoorbeeld professionele hulpver­lening. Omdat ze daar adequater kunnen geholpen worden. Niet om het probleem van zich af te schui­ven. Want, zoals de Samari­taan deed, is het zaak om naar de ander te blijven omkijken tot die weer autonoom zijn eigen weg kan gaan.

Via een lange omweg krijgt de wetgeleerde op zijn  eerste vraag “Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?” van Jezus te horen: “Doe zoals die Samari­taan, doe barmhartig­heid, doe wat je warm hart je ingeeft”.
Een klein detail nog tot slot. Hoewel het de wetgeleerde daar wél om te doen was, is er in Jezus’ antwoord is geen sprake meer van ‘deel krijgen aan het eeuwige leven’. Dat is ook niet meer aan de orde. Omdat ‘naaste zijn’, ‘barmhar­tigheid doen’ dus, voort­komt uit warmhartigheid. En een warm hart is heel en al betrokken op de ander. Dat ligt niet op uitkijk naar een beloning.
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.