14e zondag door het jaar C 2013

7 juli 2013                                  (Viering)

Boodschapper zijn.
(Lc. 10, 1-12, 17-20)
Heeft u zich ook een beetje geërgerd bij het horen van de instructies die Jezus meegeeft aan zijn medewerkers? Erop uitgestuurd worden zonder centen, zonder een minimum aan bagage, notabene zonder schoenen en niemand goeiendag zeggen…. Wie dit voor de eerste keer hoort haalt ongetwijfeld meewarig zijn schouders op en denkt er het zijne van. Het gaat hier dan ook duidelijk om verschillende tijdsgebonden raadgevingen die we zeker niet letterlijk moeten opnemen. Mocht Jezus nu, in onze 21ste eeuw en in onze contreien het daarover hebben, zou Hij het zeker over een andere boeg gooien wat die dingen betreft. Maar dat betekent niet dat dit evangelieverhaal in de prullenmand thuishoort. Integendeel, er vallen prachtige en moedgevende zaken uit te distilleren.

Zo hoorden we dat Jezus tweeënzeventig leerlingen uitstuurt. Lucas vermeldt dat preciese getal omdat volgens de joodse traditie van die dagen, de ganse wereldbevolking uit tweeënzeventig volkeren bestond. Dit getal dekt bijgevolg een zwaar symbolische lading: het uitdragen van Jezus’boodschap is niet minder dan een wereldwijde, universele zending. Jezus sluit niemand uit, Hij is begaan met àlle mensen, wars van iedere vorm van voorkeur.
Ook zendt Hij die tweeënzeventig leerlingen twee aan twee uit. Ze stonden er dus niet moederziel alleen voor. Bovendien ruikt het al een beetje naar een mini-gemeenschap. En wil het waarschijnlijk ook zeggen dat het verspreiden van de Goede Boodschap eigenlijk geen eenmanszaak is. Haar inhoudelijke rijkdom is zo omvangrijk en ook complex dat ze best op verschillende manieren kan verkondigd worden en vanuit diverse zienswijzen uitgelegd. Want stel je bijvoorbeeld voor dat vandaag in alle kerken over dit evangelie precies dezelfde preek zou gehouden worden. Zou maar een saaie bedoening zijn. Zelfs de vier evangelisten leggen ieder geregeld eigen accenten in hun verkondiging. Wat trouwens het lezen en vergelijken ervan boeiend en verrijkend maakt.

En er zijn ook die merkwaardige raadgevingen: Trek niet van het ene huis naar het andere en als je in een stad komt waar men je ontvangt, eet dan wat men je voorzet. Ik versta daaronder dat de leerlingen-zendelingen niet te kieskeurig moeten zijn. Van het ene huis naar het andere trekken heeft iets van ‘net zo lang van huisje wisselen tot de gastvrijheid echt helemaal naar hun zin is’, een soort profiteursmentaliteit, waar ten andere veel tijd in kruipt.

Wat mezelf in dit evangelieverhaal het meest aanspreekt is de raad van Jezus aan zijn leerlingen wat ze moeten zeggen wanneer ze iemand ontmoeten. Hij zegt: als je bij iemand in huis komt, zeg dan eerst ‘Vrede aan dit huis’. Ik zie hen zo op stap gaan, niet als veroveraars of betweters, maar als mensen die willen kijken en luisteren naar anderen, die boodschappers van vrede zijn. Allesbehalve donderpredikanten die wel eens even zullen oordelen of mensen die vrede wel waard zijn. En die vrede is veel meer dan alleen maar de afwezigheid van oorlog. Al is dat voor ons, mensen van deze tijd, vaak het hoogst haalbare op wereldvlak.
De vrede waarover sprake is in het evangelie is pure godsvrede. Zij is een levensstroom die, uitgaande van het hart van God zelf, doordringt tot in de harten van de mensen. Die van God uitgaande energie kan personen, groepen en volkeren van binnenuit omvormen. En het is een vrede die niet met wapens wordt afgedwongen. Niet alleen die tweeeënzeventig die indertijd door Jezus werden uitgezonden, maar ook wij moeten ons er wel van bewust zijn dat die vrede waarover Jezus het heeft, enkel een uitnodiging is, iets dat we nooit aan anderen kunnen opleggen. We mogen die vrede alleen maar voorstellen en aanbieden en er in ons achterhoofd rekening mee houden dat sommige mensen daar nu misschien nog helemaal niet aan toe zijn.

De actualiteit van dit evangelie voor ons, is niet ver te zoeken. Ook wij, christenen, worden telkens opnieuw uitgezonden. En we moeten daar echt geen cursussen voor gevolgd hebben of halve helden zijn om boodschappers van vrede te worden. In onze onmiddellijke, eigen omgeving is er vaak al meer dan werk genoeg. Neem nu het geroddel dat soms bon ton lijkt te zijn in bepaalde milieus.
Wanneer we iemand kwaad horen spreken over een afwezige, zouden we zo’n praatjesmaker toch best even kunnen wijzen op het ongepaste van zijn woorden. Dat is echt niet zo moeilijk. Of, wanneer we zelf al jarenlang in onmin leven met een familielid of een collega of een buur, zouden we toch als eerste over de brug kunnen komen om de relatie weer te normaliseren. Een nieuwjaarskaartje sturen kan soms wonderen doen, of hem of haar als eerste een hand geven wanneer we ergens die persoon tegenkomen. Zoiets ligt toch binnen de mogelijkheden van ieder normaal mens. Daarvoor is absoluut geen bijzondere begaafdheid of diploma nodig.

Als we elkaar ontmoeten zeggen wij meestal gewoon ‘goeiendag’ of ‘goeie morgen’ of iets in die zin. In anderstalige landen met een christelijke cultuur nemen mensen nog steeds afscheid met een groet waarin de vredesboodschap van God wél wordt uitgesproken. Denk maar aan het Spaanse a Dios, naar God, tot bij God. De Engelsen zeggen good bye, een samentrekking van God bless you, moge God je zegenen. Adieu klinkt het in het Frans en in het Duitse Beieren is het steevast Grüss Gott. Bij onze joodse broeders is zelfs de authentieke bijbelse uitdrukking voor vrede, tot op vandaag bewaard gebleven. Sjaloom. En dat wens ik ieder van jullie nu ook van harte toe. Sjaloom.
Rita Kuijpers

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.