14e zondag door het jaar A 2014

6 juli 2014 (Viering)

Het juk van onze prestatiemaatschappij (Mt. 11, 25-30 ; Zach. 9, 9-10)

“Kom bij Mij in de leer omdat Ik zacht­moedig ben en eenvoudig van hart”.
Zulke woor­den kunnen alleen maar ’s zondags in de kerk klinken. In de week kom je met zachtmoe­digheid en eenvoud niet ver.
Onze studenten die zopas het examenzweet van hun voorhoofd hebben gewist, weten maar al te goed dat je, om goeie cijfers te behalen, andere capaci­tei­ten in de strijd moet gooien dan zacht­moedig­heid of eenvoud. Ook ouders die in de voorbije weken zoon- of dochterlief wat wilden aanporren, hadden het over: “Door­bijten want je toe­komst hangt er­van af” en “Laat je door niets of niemand aflei­den”.
En ze hadden geen ongelijk. Want die eigenschappen moeten onze jon­ge men­sen nu inoe­fenen met het oog op het werkelijke leven van mor­gen. Zonder doorzettings­vermogen, zonder de wil om te presteren, zonder zelfvertrou­wen kom je niet vooruit, maak je nooit promotie, kun je een goede baan op je buik schrijven. Je moet het jong hebben geleerd: voor jezelf opko­men, je vooruit vechten; geen doe­tje zijn dat zich de kaas van het brood laat eten. Zonder het nodige haar op je tanden kom je er niet. Het zijn meestal geen zachtge­kookte eitjes die in een grote villa wonen of met een auto rijden om ‘U’ tegen te zeggen.
Zachtmoedigheid en eenvoud zijn blijkbaar geen doordeweek­se deugden.

Op zich is er natuurlijk niets op tegen dat iemand vooruit wil komen in het leven, dat hij/zij een goed belegde boterham wil ver­dienen. Maar die prestatiedrang is er in onze cultuur zo hard ingehamerd dat we ons nauwelijks nog realiseren dat die medaille ook haar keer­zijde heeft. Hoe hoger op de maatschappelijke ladder, hoe minder plaatsen beschikbaar. Vooruit­komen in het leven is dus vooral een kwes­tie van competitie en concurren­tie. Je mag niet zachtmoedig omkijken naar een con­current die er onderdoor is gegaan, want ondertussen glijdt langs de andere kant een ander je voorbij.
Met concurrenten ga je de strijd aan – eerlijk en sportief als het kan, wat minder sportief als het moet: ellebogenwerk, relaties aanspreken, gebruik maken van een kruiwagen liefst met een lange arm. De mallemolen van het publieke leven, en zeker het beroepsle­ven, dwingt ons, tot op niet geringe hoogte, met onszelf bezig te zijn, dwingt ons rondom ons een muur op te trekken, ons groter en beter voor te doen dan we zijn. We reali­seren ons niet dat we ge­trouwd zijn met ons werk. Onze partner en onze kinde­ren weten het wellicht wel. Maar die laten veelal betijen “omdat je vader toch niet kunt verwijten dat hij zo hard werkt voor het gezin”, of omdat ze de materiële voorde­len die dat oplevert niet meer kunnen missen, of omdat ze de openge­vallen leegte op eigen houtje hebben opge­vuld.
Maar dit leefpatroon wreekt zich vroeg of laat. Meestal te laat. Het is een klap als iemand, ondanks alle maatschappelij­ke waarde­ring, onverwacht geconfronteerd wordt met een uitge­bluste rela­tie, of met kinderen die ervoor bedanken om de door hun ouders uitgete­ken­de paden te bewandelen. Onverwacht, omdat men geen oog had voor wat anderen vaak al lang zagen aanko­men.

Onze maatschappij beoordeelt mensen steeds meer op hun nuttigheidwaarde. Wie ren­deert, wie pres­teert, is in tel. Ook dat wreekt zich en maakt veel slachtoffers.
– Pas een maand op pensioen, en de destijds alom geprezen manager hangt godganse dagen lusteloos in zijn zetel voor de televisie. Zijn zelfwaardering ontleende hij hoofdzakelijk aan zijn maat­schap­pelijke positie. En nu die weggevallen is, is hij in het spreekwoordelijke zwarte gat gevallen.
– Vraag een hardwroetende huismoeder naar haar beroep. 9 kansen op 10 antwoordt ze met een benepen stemme­tje: ‘geen’. Onbetaald werk geldt immers niet als werk.
– En welke plaats reserveert onze prestatiemaatschappij voor de werkloze, de zwaar gehandicapte, de 75-plusser?
* De werkloze moet zijn werkloosheid verbloemen want hij is bang dat men hem achter zijn rug uitmaakt voor luiaard of profiteur die op de kap van de gemeen­schap teert.
* Zieken moeten maar snel weer gezond worden. Kan dat niet, dan sluiten wij ze op in een of ander drie- of vijf­sterrenhotel van onze gezondheidszorg, want het pu­blieke leven is voorbehou­den aan de vitalen.
* In onze rust- en verzorgingstehuizen zitten de oudjes te wach­ten. Eén op vier op een zoon of een dochter die eens per maand binnen­wipt; een kwart zit te zitten en te wachten op bezoek dat nooit komt. Als je nog niet dement bent, zou je er dement van worden.

“Kom allen naar Mij toe die afgemat zijn en gebukt gaan onder het juk en de last van onze prestatiemaatschappij, en Ik zal u rust geven”. Een Jezuswoord. Een zondags­woord waarvoor ons doordeweekse leven geen oren heeft. Maar er wel behoefte aan heeft. En veel.
Een uitnodiging om uit je cocon te kruipen, om jezelf los te laten, om te durven delen, niet alleen je rijkdom en geluk, maar ook je armoe en ellende, je pijn en je verdriet. Een uitnodiging om te erkennen dat je een ander nodig hebt, dat de ander jou nodig heeft, niet om wat je kunt met je lange arm, maar om wie je bent.

“Kom bij Mij in de leer omdat Ik zacht­moedig ben en eenvoudig van hart” zegt Jezus, “Dat is míjn juk, een zacht juk, een lichte last”.
In een gemeenschap van zachtmoedige en eenvoudige mensen, zo bleek uit onze eerste lezing – maar het ging daar wel om een toekomstvisioen -, daar heerst rechtvaardig­heid en vrede van zee tot zee, tot aan de grenzen van de aarde; daar rijdt de koning op een ezel – niet in een van die stalen strijdwagens die op onze volgepropte wegen in file staan – maar op een ezel, sym­bool van nederigheid. Dezelfde ezel waarop Jezus op Palm­zondag Jeruza­lem binnenreed. Die nederigheid van Jezus heeft niets van de zacht­heid van een lichtgekookt eitje. Als het om de eer en het recht van mensen ging, maakte Hij geen omwegge­tje maar ging de confron­tatie met overheden en trendset­ters niet uit de weg. Nooit was het Hem er om te doen zijn eigen persoon­tje in het zonnetje te zetten. Precies dat maakte zijn inzet en zijn strijd voor recht en gerechtigheid geloofwaar­dig.
Nederigheid betekent niet dat we onze talenten in de grond moeten stoppen. Integen­deel. We hebben onze talenten heel hard nodig want het is niet simpel om in onze westerse cultuur zachtmoedig­heid te doen zegevieren. En nederigheid is al even onontbeer­lijk, want dat houdt ons hart zuiver.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.