Roepingenzondag

Roepingenzondag (2013)


            Midden de jaren 60 waren de ogen van de christenen hoopvol gericht op Rome. De wereld was op enkele tientallen jaren geweldig geëvolueerd en het aggiornamento van het 2e Vaticaans Concilie gooide de vensters ook van de Kerk wagenwijd open. De nadruk in de Kerk werd niet meer gelegd op de hiërarchische structuur, maar zij was het godsvolk onderweg en elke christen droeg daar de verantwoordelijkheid voor. Wat zo hoopvol begon, eindigde in een diepe desillusie en zaten we bij het fenomeen van de gemoedstoestand van de apostelen en leerlingen van Jezus zoals wij die vorige week in het evangelie hoorden: moedeloosheid, leegloop. De laatste jaren zat de Kerk     meer dan in een dieptepunt. Anderhalve maand geleden werd een nieuwe paus   gekozen, een nieuwe herder voor de christenen. Pater Jos Smeets, Dominicaan uit Knokke, schreef een week na de nieuwe pauskeuze een ‘open brief’ aan deze paus en die verwoordt naar mijn aanvoelen perfect onze verwachtingen naar onze nieuwe herder. Jos schreef:

Mijnheer de bisschop van Rome, Broeder-in-Christus Franciscus: Buonasera !

Uit de schoorsteen van de Sixtijnse kapel was witte rook gekomen. De klokken hadden geluid. Het Sint-Pietersplein liep langzaam vol. Vanaf het balkon weerklonk het ’Habemus Papam!’ gevolgd door drie onbekende namen. Gelukkig hadden wij ruim een uur de tijd om met stijgende verbazing aan de weet te komen dat U Jorge Mario Bergoglio heette, Argentijn van (arme) Italiaanse afkomst was, behoorde tot de orde van de jezuïeten, niet in een bisschoppelijk paleis woonde en liever de metro nam dan U te laten vervoeren in een dienstwagen. Wij waren blij verrast dat U voortaan Franciscus wilde heten, een naam die zowel een program als een belofte inhield: van nederigheid, armoede, vrede, respect voor mens, dier, natuur en milieu. Een naam waarin zij die U kenden, U ook hérkenden. Dat alles was wennen – en voor sommigen ook even slikken.
Na ruim een uur verscheen U in hoogsteigen persoon in pauselijk wit. En deze keer was U het die wennen moest: aan die plotselinge gedaantewisseling bij Uzelf, maar ook aan die juichende menigte daar in de diepte voor U.
U herkende ons het eerst. Terwijl wij ons uw gezicht en uw figuur nog aan het inprenten waren, had U ons al een bescheiden teken van herkenning gegeven: ‘Fratelli e Sorelle,’ Vanaf dat moment wisten wij: wij waren voor U geen onbekenden. Wij waren het volk waarmee U, naar goede Latijns-Amerikaanse gewoonte, op weg wou gaan: ‘Buonasera!’
Zoals van een geleerde jezuïet te verwachten viel, school er een duidelijke lijn in uw optreden. U nodigde ons uit te bidden uit dankbaarheid voor ‘onze bisschop emeritus Benedictus XVI.’ Daarmee sloot U meteen ook een kerkelijk tijdperk af: ‘En nu beginnen wij, bisschop en volk, aan onze tocht van broederlijkheid, liefde en onderling vertrouwen.’
Door voorovergebogen ons stille gebed te vragen, zodat U ons zou kunnen zegenen, bracht U een verbondenheid tot stand als van een herder met zijn kudde. En was het om niet in de val te trappen van een overdreven pauscultus dat U zichzelf enkel ‘bisschop van Rome’ noemde en de volgende dag in uw preek verklaarde: ‘Niet de opvolger van Petrus, maar Christus is het centrum van de Kerk’?
Op ethisch vlak staat U, broeder Franciscus, bekend als eerder conservatief – al valt dat in een cultuur als de Latijns-Amerikaanse minder op dan in onze Westerse samenleving. Maar laat de ethiek nu net hét speelveld zijn waarop de Westerse wereld en zeker de media U om ter hevigst zullen afrekenen. Misschien kan het gezonde mensenverstand U dan te hulp komen: dat je de lat van je ethische idealen best hoog mag leggen, ook al weet je dat slechts weinigen aan die idealen kunnen beantwoorden. In dat geval helpt barmhartigheid, vanuit het principe: ‘Streng vanop de kansel, begripsvol in de biechtstoel.’ Bovendien bestaat er toch ook nog zoiets als het geweten van de mens, waarover Uzelf die avond hebt gezegd: ‘Aangezien velen van u niet tot de katholieke Kerk behoren, anderen niet gelovig zijn, richt ik deze zegen in stilte tot ieder van u, met respect voor ieders geweten, in het besef dat ieder van u een kind van God is.’
Het valt ook op dat U de bladen met de tekst van uw toespraken regelmatig aan de kant schuift om uw toehoorders rechtstreeks, van mens tot mens aan te spreken. Zoals ook de weg die U na de zondagsmis in de eenvoudige parochiekerk van het Vaticaan aflegde niet de snelle vluchtweg was van altaar naar sacristie, maar, tot wanhoop van uw bodyguards, een slalomparcours dat eindigde op straat en dat U handenschuddend genietend aflegde, midden tussen de mensen.
Weet U wat mooi zou zijn, Broeder Franciscus? Dat U ons over enkele maanden zou vertellen dat U het bezoek had gekregen van uw 114 broeders-kardinalen, vergezeld van een grote groep van mensen van divers pluimage uit hun land van herkomst. En hoe zij U allemaal om beurten een duidelijk ‘Vergeet niet’ in het oor waren komen fluisteren: ‘Vergeet de armen niet. Vergeet de vrouwen niet, de priesters, de mensen met een andere huidskleur of een andere geaardheid. Vergeet de mensen uit andere religies niet. Vergeet de christenen uit de basisgroepen en ook de bevrijdingstheologen niet. Vergeet de martelaren van de dictaturen niet. Vergeet bisschop Romero niet en zoveel andere bisschoppen, priesters en naamloze mensen die stierven als martelaren vanwege hun geloof en hun inzet voor een rechtvaardige wereld. Vergeet de zinzoekers niet, de weifelaars en de twijfelaars, de agnosten en de atheïsten. Vergeet niet de eenzamen, de treurenden, de bejaarden. Vergeet vooral ook de stervenden niet.’
En dat U dan al die wensen en verlangens zou bundelen en aan uw bezoekers mee zou geven met de opdracht: ‘Broeders en Zusters in Christus, vertrek nu maar weer hier vandaan. Zoals Jezus zijn leerlingen uitzond, zo zend ik jullie. Terug naar je land van herkomst. Want daar wachten de mensen jullie op om de hand aan de ploeg te slaan. Ik heb de taken die ons te doen staan opgelijst en de bakens uitgezet. Het is nu aan jullie om, geïnspireerd door de Geest van God en in het voetspoor van Jezus, samen met alle mensen van goede wil te werken aan een wereld van recht en gerechtigheid. Naar die samenleving, naar het Rijk van God, wil ik samen met jullie op weg gaan. Als een herder achter zijn kudde aan.’
Met hartelijke groet,
P. Jos Smeets

Ook wij hopen dat deze verwachtingen realiteit mogen worden. Ondertussen hebben wijzelf, pater Marc en leken, in de loop der jaren onze handen uit de mouwen gestoken om hier ter plaatse de taken te verdelen en gezamenlijk de verantwoordelijkheid op te nemen voor deze geloofsgemeenschap. We hopen dat we goede herders mogen zijn, niet van een kudde makke schapen, maar van een dynamisch godsvolk onderweg.
Gerda Huys

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.