13e zondag door het jaar. C 2013

30 juni 2013                          (Viering)

Op weg
  (Lc. 9,51-62 )

Op reis, uitkijken naar logies, onbekende mensen ontmoeten, met hen een babbel doen… Het lijkt wel alsof de Romeinse liturgisten voor het begin van de vakantie een speciaal-aangepast evangelie hebben uitgezocht. Maar de vast­bera­denheid waarmee Jezus zijn reis naar Jeruzalem aanvat, doet al vermoe­den dat het geen vakantie­trip wordt. En ook de leer­lingen hebben snel door dat op stap gaan met Jezus geen gezellige groepsreis is.

Het begint al zodra ze in een of ander Samaritaans dorp willen over­nach­ten. Ze zijn daar niet welkom. De leerlingen reage­ren geïrriteerd. Jezus tikt hen op de vingers. Blijkbaar hebben zij het nog altijd niet begrepen hoe verkon­diging in zijn werk gaat. De Blijde Boodschap uitdragen betekent voor Jezus: aanbieden wat Hij heeft en wie Hij is. Een aanbod aan iedereen die Hij op zijn weg ontmoet. Hij stelt daar­bij geen vragen over aard, volk of gods­dienstige over­tuiging. Joden of Samarita­nen of wie dan ook, ze zijn Hem allemaal even lief.
Wat die ander met dat aanbod doet, is zijn zaak. Hij is vrij erop in te gaan of niet. Reageert die ander onver­schil­lig of af­wij­zend, dan is dat spijtig voor hem, maar je mag hem daarom niet met een scheef oog bekijken. Als verkondiger heb je andermans keuzevrijheid te respecteren, vindt Jezus.
En dus, zonder boosheid, pakken Jezus en zijn leerlingen hun boeltje bijeen en trekken ze daar weg, naar een ander dorp.

Op hun verdere tocht vermeldt Lucas drie ontmoe­tin­gen met niet nader genoemde passanten. Blijkbaar toevallige contacten, maar toch belangrijk omdat daarin kort en krachtig wordt aange­geven wat je van een échte Jezusvolge­ling mag ver­wachten.

– De eerste passant zegt Jezus te willen volgen waar Hij ook heengaat.
‘Maak je maar geen illusies’, is het antwoord, ‘want de Geest Gods legt je voortdurend het vuur aan de schenen’.
Jezus volgen is Iemand volgen die nergens thuis is, steeds onder­weg. Of beter: Iemand volgen die slechts thuis is bij God en daarom steeds onderweg. Beweeglij­ker dan vossen en vogels is Hij steeds dààr waar de liefde en de dienst aan mensen Hem roept. Jezus volgen op die weg is beslist geen sinecure!

– Een tweede passant wil ook Jezus volgen, maar eerst wil hij nog zijn vader begraven.
‘Laat de doden hun doden begraven’ reageert Jezus. Dat klinkt cassant, want wat is heiliger dan de doden begraven, zeker als het om je eigen vader gaat.
Het ligt nogal voor de hand dat Jezus niet gekant is tegen af­scheid nemen van een dierba­re overlede­ne. Denk maar hoe Hijzelf reageerde op de dood van zijn vriend Lazarus. Met zijn boute uitspraak geeft Jezus aan dat je niet ‘eerst’ kunt kiezen voor iets anders en pas dan voor het Rijk Gods. Wie niet ‘eerst’ kiest voor het Rijk Gods, kiest er eigenlijk niet voor. Het is immers geen kwestie van ‘of/of’. Het Rijk Gods staat niet op één rij met andere keu­zes. Het is een le­vensop­tie die kleur geeft aan je hele doen en laten. ‘Jezus volgen’ betekent: kiezen voor het leven; geen doden begraven maar doden tot leven wekken. Zijn Vader, zo zegt Hij elders, is immers “geen God van doden maar van levenden” (Lc. 20,38).

– Ook de derde passant wil Jezus volgen maar wil ‘eerst’ nog afscheid nemen van zijn familie.
Weer valt Jezus over dat woordje ‘eerst’. Om Hem te volgen moet je geen af­scheid nemen van mensen. Integendeel, je moet hen heel nabij zijn, hen naderbij halen, hen tot naasten maken. Je moet, zoals de Barmharti­ge Samaritaan (Lc. 10,25-37), je het lot aantrekken van wie toevallig je levensweg kruist. We staan niet voor de keuze: of God of de medemens. God is niet ‘één van onze vele rela­ties’. Hij is Degene die al onze relaties kleur en diepte geeft. Wie zich door Hem laat bezie­len maakt vreemden en vreemdelin­gen tot zijn naasten.

Het klinkt allemaal een beetje veeleisend. Maar ik her­haal: Jezus eist niet, Hij nodigt uit, Hij reikt levensper­spec­tief aan. Maar tegelijk spreekt Hij duidelijke taal: ‘In vrijheid écht voor Mij kiezen kleurt je hele leven; niet een deel ervan, niet af en toe al naarge­lang het je uitkomt’.
Jezus volgen, thuis zijn bij God, is het eigen huis durven loslaten en kiezen om op weg te gaan. Gods volk is een volk onderweg. Het is je laten aanspreken door wat van buitenaf op je afkomt, zonder je ‘eerst’ af te vragen of het wel te combi­neren is met je eigen plannen, relaties en interesses.

Een gemakkelijke weg is het niet. Maar het is ook geen weg die een mens leegzuigt, uitput. Op voorwaarde dat je rugzak vol liefde steekt. Om die uit te delen. Want zo gaat het nu een­maal met de liefde: hoe meer je geeft, hoe meer je jezelf vindt.

Christenen zijn dus mensen van de weg (Hand. 9,2). Het ver­trekpunt is voor iedereen verschillend. Elkeen vertrekt waar zijn of haar voeten op de grond staan. En dan ga je op stap, stap na stap Jezus achterna.

Ach, je zal wel eens tegen de wind in moeten lopen. Maar wees gerust: Jezus loopt voorop en vangt als eerste de meeste tegenwind op. Wij hebben slechts te volgen, Hem te volgen: Hij die de Weg, de Waarheid en het Leven is (Jo. 14,6).
Marc Christiaens o.p.

 

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.