13e zondag door het jaar A 2020 p

Het geheim van onze verborgen God

(2 Kon. 4,8-11.14-16a ;  Mt. 10,37-42)        (Viering)

Als we, bij het beluisteren van de eerste lezing, onze pikante fantasie even in toom hielden, hoorden we een verhaal over vèrgaande gastvrij­heid. Het mag dan al waar zijn dat, meer naar het Zuiden toe, gastvrijheid een hoger gewaardeerde bur­ger­deugd is dan hier in het kille, alles volgens afspraken geor­ganiseerde West-Europa. Toch is er bij het hartelijke logies dat een echtpaar de pro­feet Elisa aanbiedt, wel een kantteke­ning te plaat­sen.

Profeten zijn, ook reeds in het Oude Testament, dikwijls rare snuiters. En niet alleen door hun gedrag of hun uiterlijke verschijning. Soms werd een profeet door het brede publiek als een heilige man Gods op handen gedragen. Mis­schien waren de buren wel een tikkel­tje jaloers als zo’n bijzonder iemand ergens gere­geld over de vloer kwam.
Maar dat kan plots omslaan. Profeten kunnen immers verve­lend conse­quent zijn. Diplomatiek hun mond houden is niet hun sterkste kant. Wat fout loopt in godsdienstbeleving, samenle­ving of politiek, stellen ze genadeloos aan de kaak. Zulke scherpe kritiek wordt doorgaans niet onder dankzegging geïncasseerd door hen die zich in hun machtspositie aangevallen voelen of van mis­toestanden hun graantje meepikken. De aanvanke­lijk alom ge­waar­deerde man Gods wordt dan op slag – in het gunstigste geval – een bemoeial, een criticaster – en in minder gunstige geval­len – opgejaagd wild. Op dat moment prijzen de buren zich gelukkig dat zij niet opge­scheept zitten met die vreemde snui­ter.

Zonder zich af te vragen welk risico ze zich daarmee op de hals haalden, was de profeet Elisa van harte welkom bij die meneer en mevrouw uit het dorpje Sunem. Zoveel onbevan­gen open­heid wordt in de Schrift geap­pre­cieerd. En vaak ook heel uitdruk­kelijk geze­gend. Hier zelfs met een kind waarvan dat paar een huwe­lijksle­ven lang had gedroomd. Want ‘geen kind hebben’ beteken­de in joodse ogen: geen toe­komst hebben.
Opvallend is de parallel tussen dit verhaal en dat van Abraham en Sarah die ook op hoge leeftijd gezegend werden met een zoon als blijk van waardering voor hun gastvrij onthaal van drie toe­vallig passerende vreem­de­lingen, waarvan achteraf bleek dat het ging om God en twee van zijn enge­len. De moraal van deze en andere oude bijbelverhalen is duide­lijk: in een vreemde kan God naar jou toekomen. En wie zich voor hem (vreemde) [= Hem (God)] openstelt, krijgt toe­komst aange­reikt.

In onze evangelietekst ligt de­zelfde boodschap besloten. Jezus daagt ons uit om voor Hem ruimte te maken in ons leven. Ook Hij was een vreemde vogel. Ook zijn levensstijl beantwoordde lang niet altijd aan de gang­bare fat­soensnor­men. Anders was Hij nooit op een kruis geëindigd.
Als Jezus om ruimte vraagt, dan vraagt Hij die niet zozeer voor zichzelf maar voor datgene waarvoor Hij staat, nl. het geheim van onze verborgen God.

Het is niet omdat we God eventjes wensen te ontmoeten dat Hij zegt: ‘Voilà, hier ben Ik’. God ver­schijnt niet op commando. Je kunt Hem pas ontmoe­ten als Hij naar jou toe­komt. Het initia­tief gaat van Hem uit, dikwijls ongevraagd en onverwacht. Het is dus zaak om de deur van je hart constant gastvrij voor Hem open te houden. Dàt wordt bedoeld in de weerbar­stige eerste regels van onze evange­lielezing. “Wie van zijn ou­ders of van zijn kinderen meer houdt dan van Mij, is Mij niet waard” wil niet zeggen dat men familierelaties moet doorknippen om Jezus te kunnen volgen. Het is geen kwes­tie van òf… òf, maar van èn… èn: “Als Ik, God, bij jou aan­klop, dan mag je je eigen ver­trouwde wereldje niet als alibi gebrui­ken om ‘niet thuis’ te geven, om Mij af te wimpe­len met ‘Sor­ry, ik ben druk bezig; ik kan momenteel de deur niet openmaken'”.  Niet dat je God niet zou kunnen ervaren in je eigen huis, in je gezin of op het werk. Natuur­lijk kan dat wèl. Maar wie zich in zijn huis, in zijn werk opsluit, afsluit, niet over die grens heen wil kijken, die mist de kans om God, als die onge­vraagd en onverwacht aanklopt, te ontmoe­ten… en dus toe­komst aangereikt te krijgen.
Het eerste sleutelwoord van de Godsontmoeting is dus: Hij komt meestal ongevraagd en onver­wacht.

Het tweede luidt: God ver­schijn­t versluierd en verborgen.
Ons, simpele aardmensjes, is het niet gegeven om God te aan­schou­wen van aange­zicht tot aange­zicht. Onze ogen zijn er niet tegen be­stand om Hem in de ogen te kijken. Zijn aanwezigheid is te ver­blindend. En dus is voor ons God onzicht­baar. Om ons desondanks toch nabij te kunnen komen, schermt God zijn ver­blindend aange­zicht af. Het geheim van onze verborgen God is dat Hij zich vermomt als mens om ons te kunnen benaderen. Dat kunnen vreemde vogels zijn zoals Elisa of Jezus. Dat kunnen ook andere vreemden zijn. Jezus zelf gaf een aantal voorbeel­den. Ook in de evangelieteksttekst van vandaag: “Wie één van deze kleinen een beker koud water geeft (…), hem zal zijn loon niet ontgaan”. Of elders: “Wat je aan de min­sten van mijn broeders hebt gedaan, heb je aan Mij ge­daan, en dus ben je welkom in mijn Rijk” (Mt. 25,40.34). Bij voor­keur ver­momt God zich dus als een armzalig iemand die schijnbaar toevallig ons pad kruist. Hij iden­tifi­ceert zich bij voorkeur met hen die hulp­vra­gend naar ons opkij­ken. Als je zulke mensen de hand reikt, druk je de hand van God. Als dat genre mensen bij jou welkom is, is God bij jou welkom. En ben jij welkom bij God.
Marc Christiaens o.p.

 

Kategorie(n): Onze preken

Comments are closed.