13de zondag door het jaar B 2018 p 

  1 juli 2018                     (Viering)

Wie echt gelooft neemt zelf het heft in handen
(Mc. 5,24b-34 ; Wijsh. 1,13-15. 2,23-24)

Een heel ander wonderverhaal dan vorige week, en toch een parallel. In het verhaal over het stillen van de storm gaven de leerlin­gen het op: dat Jezus nu maar de kastanjes uit het vuur haalt. Diens reactie was niet mals: “Hoe is het mogelijk dat jullie nog steeds geen vertrouwen hebben.”
Ook vandaag komen de leerlingen er maar kleintjes uit. Als Jezus voelt dat er een kracht van Hem is uitgegaan, draait Hij zich om en vraagt wie zijn kleed heeft aangeraakt. De leer­lingen doen daar wat sarcastisch over: “Hoe kunt Gij nu vragen wie U heeft aange­raakt, als de menigte zich van alle kanten op­dringt?”. Ze hebben het dus weer niet door wat er aan de hand is. Het is een op­vallen­de constante in het Marcusevange­lie dat uitgere­kend de leer­lingen nooit schijnen te be­grijpen waar het Jezus om te doen is. Wat Hij ook zegt of doet… bij hen lijkt het zaad van zijn Boodschap steeds op de harde grond te val­len, waar het de grootste moeite heeft om wortel te schie­ten. Het zijn altijd anderen – mensen van buiten de intieme Jezus­kring – die door Marcus worden opgevoerd als voorbeel­den van authen­tiek geloof. Zo ook vandaag: een vrouw die al twaalf jaar aan bloed­vloeiing lijdt.

Menstruatie is normaal een kwestie van enkele vervelende dagen per maand. Maak daar eens 365 dagen per jaar van. En vermenigvuldig dat met twaalf. Mis­schien meent de helft van de hier aanwezigen in de kerk dat zij zich een beetje kunnen voorstellen wat die vrouw uit ons evangelieverhaal al die jaren heeft meegemaakt. Sorry, dames, maar ik vrees dat u haar situatie schromelijk onder­schat. Hier is meer aan de hand dan het fysieke fenomeen van constante bloe­dingen. Ver­geet niet dat het gaat om een joodse vrouw. Volgens de joodse samenlevingsconven­ties is een menstrueren­de vrouw gedurende zeven dagen ritueel onrein, wat vergaande sociale impli­caties heeft. Ik citeer uit het boek Leviticus: “Wie zo’n vrouw aanraakt, of iets aanraakt waarop zij gezeten of gelegen heeft, moet een bad nemen, zijn kleren wassen, en is zelf tot ’s avonds on­rein. Een man die met een menstruerende vrouw gemeenschap heeft, is zeven dagen onrein. Heeft een vrouw een langdurende bloeding buiten de tijd van de menstruatie, of duurt de tijd van de menstruatie bij haar langer dan normaal, dan is zij heel die tijd onrein” (15,19-25). Het zal je maar overkomen als dat twaalf jaar aan een stuk aanhoudt. Deze vrouw is dus, letterlijk, onaan­raakbaar. Wie haar te dicht nabij komt, haar aanraakt of door haar aangeraakt wordt, is immers ook ritueel onrein. Beeldt u eens in wat dat bete­kent binnen de man-vrouw-relatie, voor een moeder met kinde­ren. Haar ziekte maakt haar medemens-on­waar­dig, degradeert haar tot een sociale paria.

Deze vrouw staat symbool voor al wie het in onze samen­leving niet redden, die van de ene aandoening in de andere ziekte sukkelen, die er psychisch onderdoor gaan, de vereen­zaam­den, daklo­zen, mensen zonder papieren, vluchtelingen en al die anderen die nergens aan de bak komen. Juist die mensen schamen zich vaak het meest om met hun miserie naar buiten te komen omdat elke bede om hulp als een bekentenis van onmacht wordt ervaren. En toch is hun verlangen om ‘erbij te horen’ immens. Ze klampen zich vaak vast aan een strohalm. Groot is hun behoefte aan een hand die hen optilt, een oor dat naar hen luistert, aan begrepen te wor­den, aan gewoon als volwaardig mens gewaardeerd te worden.

Zo is het dus ook met onze naamloze vrouw uit ons evangelie­verhaal. Een levende dode. Op zoek naar genezing heeft zij alle denkbare wegen plat gelopen, zich blauw betaald aan dokters en kwak­zal­vers. Tever­geefs. Maar recent heeft ze, via via, over Jezus ge­hoord, Iemand die weldoende rondgaat. Haar strohalm is: “Als ik zijn kleed kan aanraken, ben ik gered”. Een verboden strohalm, want aanraken is voor haar taboe. Toch trekt ze haar stoute schoenen aan, gedreven door haar verlangen om mens onder de mensen te mogen zijn. Een moedige daad? Niet echt. Want ze rekent erop dat Jezus, in het gedrang van de massa, het niet eens zal merken. Dat was dus een misre­kening. Ze hebben het allebei gemerkt. Zij omdat ze genezen is; Hij omdat er een kracht van Hem is uitgegaan. Hij kijkt naar haar om. Ze moet nu wel boven water komen. Ze biecht alles op. Hij reageert niet boos; Hij luistert; Hij kijkt haar bemoedigend aan. Het was goed. Ze mag gaan. In vrede. Zij kan opnieuw leven.

Er was dus een kracht van Hem uitgegaan zonder dat Jezus zelf enig initiatief nam. Het initiatief ging heel en al van haar uit. Ook vreemd is dat die kracht alleen háár raakt. Niemand van al die ande­ren die Hem in het gedrang getoucheerd hebben, heeft iets bijzonders ervaren. Het ging dus niet om een aanraking op zich. Haar aanraking was een bezielde aanraking, bezield door haar ver­langen om weer mens te mogen worden, een smeekgebed metterdaad. Na haar genezing door Jezus op het matje geroepen, schaamt zij zich. Ze voelt zich een beetje als een dievegge die iets heeft weggenomen van de genezende kracht die Hem toebe­hoort. “Neen, zegt Jezus, niet Ik heb je genezen; jouw geloof heeft je genezen.” Geloof gaat het wonder vooraf, is een voorwaarde. De vrouw gelooft niet omdat ze genezen werd, maar wordt genezen omdat ze gelooft.
Op basis van haar vertrouwen in wat ze over Jezus heeft gehoord, nam ze het heft in eigen handen, op zoek naar een levenswaardig leven. Van doorzetters, van mensen die tegen alle miserie in blijven doorvechten – voor zichzelf en voor ande­ren – daar houdt God van. God wil niet dat leven verwoest wordt door angst, ziekte, schaamte of isolement. Want, zo hoorden we in de eerste lezing: “God heeft het leven geschapen, niet de dood. Hij verafschuwt al wat leven kapot maakt”.

Geloven, zo blijkt uit dit verhaal, is durven vertrouwen op God, zonder je handen in de schoot te leggen. Het is een relatie aangaan, een samenwerkingsrelatie op basis van vertrouwen: raken en geraakt wor­den; hier lichame­lijk uitgebeeld als aanra­ken en aangeraakt worden. Dat zegt niet alleen iets over Diegene die je vertrouwt; het zegt ook iets over jezelf. In dat vertrouwen ben je immers geënga­geerd met je hele persoon. Juist omdat zij dat rela­tio­neel beleeft, neemt de vrouw zelf initia­tief. En als ritue­le reini­gings­wet­ten of andere maatschappelijke gebruiken zulke door vertrouwen gedra­gen ini­tia­tieven blokkeren, dan moeten die maar door­bro­ken worden. Nood breekt wet. Zo reageren keurt Jezus hier goed: “Zó vertrouwen beteken­de uw redding – zegt Hij – Ga. Ga in vrede”.

Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.