12e zondag door het jaar B 2021 preek

Preek 12de zondag door het jaar

En Jezus bleef maar slapen…  (Mc. 4,35-41)

Er stak een ongemeen hevige storm op. In paniek riepen de leerlingen Jezus ter hulp. Plots, boven het natuurgebul­der uit, klinkt zijn doordringende stem: “Zwijg, wees stil”. De wind ging liggen en het werd volmaakt stil. Verbaasd vroegen de leerlingen zich af: “Wie is Hij toch dat zelfs de wind en het water naar Hem luisteren?”
Voor de leerlingen een vraag. Voor sommige vrome gelovigen een weet: De enige die zijn wil kan opleggen aan de natuurelemen­ten, is Hij die ze geschapen heeft: met dit wonder bewijst Jezus nogmaals dat Hij God is.
Die redenering is wel erg kort door de bocht. Want – en nu citeer ik de Pauselijke Bijbel­commis­sie[1] – zo’n letterlijke interpretatie “is gevaar­lijk, want wie een evange­lietekst die niet historisch bedoeld is, leest alsof het om een waar ge­beurd feit gaat, let vaak niet op de mogelijke symbo­lische beteke­nis ervan. Een letter­lijke inter­pretatie leidt tot valse zeker­heden en vrome maar be­drieg­lijke verkla­ringen.” Duidelijke taal, dacht ik.

Overlopen we nog eens rustig ons hele verhaal.
Jezus vraagt aan zijn vrienden naar de overkant van het meer te varen. Als ze goed en wel van wal zijn gestoken, valt Jezus in slaap. Begrij­pelijk op een zwoele avond, na een zware dag.
Een plots opkomende storm die even snel gaat liggen, is een bekend weerkundig feno­meen op het meer van Genezareth dat, gekneld tussen twee bergke­tens, meer dan 200 m. beneden de zeespiegel ligt. Zo’n nijdige storm steekt plots op. Probeer dat beeld  je even voor de geest te halen. Een kleine vis­sers­sloep hoog op de golven getild, weer neerge­smakt, water dat bij bakken binnenstroomt… De natuurelementen gaan zo wild te keer dat de gerouti­neerde bemanning aan boord er het hoofd bij verliest. (Vergeet niet: verschillende van de apostelen waren beroeps­vissers, dus ver­trouwd met de gril­len van het meer van Gene­zar­eth.) En in die apocalytische omstandigheden, zo staat er, …blijft Jezus rustig doorslapen op een kussen op het achterdek van dat roeibootje!?
Erg overtuigend klinkt dat laatste niet. Maar dat is niet belangrijk. Marcus gebruikt zo’n storm als verhaalkader om zijn lezers duidelijk te maken hoe zij moeten omgaan met stormen die hun leven overhoop dreigen te gooien.

Het is niet omdat Jezus zich op het meer bevindt, dat er geen storm kan losbarsten. Het is niet omdat wij God een plaats geven in ons leven, dat het niet kan stormen in ons leven. Nogal wat gelovige mensen – misschien wij allemaal af en toe – hebben het daar behoor­lijk moeilijk mee. We geloven al te graag dat de goede God ons op onze levenstocht zal behoeden tegen leed en lijden. En als het dan toch plots gaat stormen, krijgt God de zwarte piet toege­schoven: ‘Waarom moet dat mij overko­men? Waar heb ik het verdiend om zo te moeten lijden? Hoe kan God al die verschrikkin­gen in de wereld toelaten – het drama van de bootvluchtelingen op de Middellandse Zee , de terreuracties van IS en Boko Harram… om maar enkele voorbeelden te noemen.
Tja, zegt Marcus, God vaart wel met ons mee, maar niet als een engelbewaar­der op de uit­kijk hoog in het kraaiennest van onze levensboot. Soms lijkt het erop dat God slaapt, ook als het stormt.

Het beeld van de slapende Jezus heeft duidelijk een symboli­sche betekenis. Dat Hij een dutje wou doen omdat Hij moe was, is een aannemelijke, menselijke verkla­ring. Maar het betekent ook dat Hij zich gerust voelde, dat Hij er alle vertrouwen in had dat zijn vrienden-vissers Hem veilig en wel naar de overkant zouden brengen. En als de storm opsteekt? Ook dan blijft Hij rust uitstralen, want Hij vertrouwt erop dat Hij en zijn zwoegen­de vrienden veilig zijn in de handen van zijn Vader. Die heeft immers het laatste woord over storm en zee, over kwade krachten, zelfs over de dood.

Bij de leerlingen daarentegen heerst paniek. Zij zijn niet enkel hun zelf­vertrouwen kwijt, ook hun vertrouwen in Jezus wankelt. Om uit de crisissitu­a­tie te geraken gaan ze niet langer uit van hun eigen mogelijk­heden, van hun maritieme deskun­digheid, maar ze schuiven de verantwoorde­lijk­heid in Jezus’ schoenen en verwijten Hem dat Hij hen in de steek laat: “Kan het U dan niet schelen dat wij ver­gaan?”. [Hun angstkreet klinkt ons bijna ironisch in de oren (ook al is dat achterafse praat): Hij die totter­dood zijn leven veil had voor zijn vrienden, wordt verweten dat vrienden in nood Hem niets kunnen schelen.] Enigszins gepikeerd reageert Jezus met een tegenvraag: “Hoe is het moge­lijk dat jullie geen ver­trouwen heb­ben?”

Wie ten volle op God vertrouwt – zo leert dit verhaal ons – geeft niet op, die schreeuwt niet: ‘God wordt wakker en stil de storm’. Die herinnert zich dat Jezus – ook in benarde situaties – telkens weer zei: Vreest niet. Ga door. Niet aarzelen. Doen. Volhouden. Ook al slaan de golven over de boot, blijf water uitscheppen, geef niet op. Want je mag erop vertrouwen dat God je nooit in de steek laat, dat bij Hem niets onmo­gelijk is. Misschien staat God plots op en brengt Hij de storm tot bedaren. Misschien laat Hij de storm uitrazen en staat Hij achter je rug mee water uit de boot te scheppen – Hijzelf of een engel in de gedaante van een mede­mens – zodat je het alsnog overleeft. Misschien kapseist de boot en staat God je op te wachten om je in zijn armen te sluiten als je als verdronken schip­breu­keling aanspoelt aan de overkant. Misschien…
Hoe, wanneer en in wie Hij voor jou mens wil worden om je helpend nabij te kunnen zijn, dat is Gods ge­heim. Maar je mag erop vertrouwen: Hij zal er zijn voor jou.
Marc Christiaens o.p.

 

    [1] “De interpretatie van de bijbel in de kerk”, een docu­ment van de Pauselijke Bijbelcommissie (24 april 1993).

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.