10e zondag door het jaar C 2016 p

 5 juni 2016     (Viering)

De weduwe van Naïn (1 Kon. 17,17-24 ; Lc. 7,11-17)
Blikvanger in dit verhaal: een overleden jongeman die tot leven wordt gewekt. En daarom staat er in vele Bijbelvertalingen boven dit verhaal vaak de titel ‘De jongeling van Naïn’. Maar als we de tekst eens aandachtig herlezen, merken we dat het medelijden van Jezus niet zozeer de dode zoon betreft maar de achtergebleven moeder.
Opvallend ook is de parallel tussen dit evangelieverhaal en onze eerste lezing. Ook de profeet Elia wekt de dode zoon van een weduwe ten leven en geeft hem aan zijn moeder terug. Lucas presenteert hier Jezus als de nieuwe Elia, die in de ogen van zijn geloofsgemeenschap de belangrijkste profeet is uit de Joodse geschiedenis.

Kinderen die hun moeder moeten begraven is altijd een pijnlijk afscheid. Maar een moeder die haar enig kind ten grave moet dragen… dat snijdt nog dieper in het vlees: het heeft iets tegennatuurlijks, het staat haaks op de logica van het leven dat wil doorgegeven worden.
In dit geval gaat het ook nog om een moeder-weduwe. Het is de tweede maal dat zij uit handen moet geven wie haar het dierbaarst is. En in het Israël van die tijd, zit aan dat dubbel persoonlijke drama, ook nog eens een extra maatschappelijke en religieuze dimensie vast. De enige zoon van een weduwe is immers ook de kostwinner van zijn moeder en ook nog haar juridische vertegenwoordiger en beschermer. Wie gaat voor haar zorgen nu ook hij is weggevallen?
En dan is er nog het geroddel achter haar rug: Waarom moest haar kind sterven? In die tijd werd de dood van een zoon of dochter jonger dan 20, gezien als een straf voor het zondig leven van de ouders. Vandaar ook dat de weduwe van Sarefat  uit onze eerste lezing, wiens zoon sterft net als Elia bij haar te gast is, tot de profeet zegt: “Man van God, hebt u bij mij uw intrek genomen om mijn zonden openbaar te maken door mijn zoon te laten sterven?”

Met zulke vrouwen, kapot door dit dubbel verlies, daardoor maatschappelijk veroordeeld tot de bedelstaf, en op de koop toe een zondares in de ogen van de publieke opinie,  “is de Heer ten diepste begaan” zegt onze evangelietekst. Het is de eerste keer in zijn evangelieboek dat Lucas Jezus ‘de Heer’ durft noemen, een titel die ook de andere evangelisten hoogst zelden aan Jezus toekennen omdat die gereserveerd is voor de Allerhoogste zelf. Maar in deze confrontatie van leven en dood staan we voor het aangezicht van de Allerhoogste. God zelf is hier werkzaam aanwezig. Hij is het die met die vrouw ten diepste begaan is. God is in hart en nieren bewogen om het droeve lot van de weduwe.

“Huil niet”, zegt Jezus tegen haar. Wij hadden wellicht anders gereageerd. Misschien onze schouder aangeboden om haar eens goed te laten uithuilen. Vermoedelijk hadden we mee een traan geplengd. Maar Jezus niet. Hij is niet zoals wij. Hij zegt: “Huil maar niet.”
Hij loopt naar de lijkbaar toe en raakt die aan. Een lijkbaar onnodig aanraken was iets totaal ongepast. Zoiets deed je niet. Volgens de toenmalige Joodse religieuze wetten maakte dat een mens onrein. Maar de Heer van leven en dood staat boven die wet. De dragers staan stil. En dan zegt Jezus: “Jongeman, kom overeind, zeg Ik je. En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder.” Lucas laat Jezus hier hetzelfde doen als wat Elia deed: ook die gaf het kind aan zijn moeder. Een gebaar, waardoor beide vrouwen sociaal en religieus gerehabiliteerd worden, weer hun plaats in de gemeenschap mogen innemen.

Overeind komen, opstaan… het zijn woorden die refereren naar de verhalen over Jezus’ verrijzenis. Zo legt onze evangelist een verband tussen de verrijzenis van Jezus en het opstaan van een mens na en tijdens dit aardse leven.  Na de dood van je kind dacht je dat er voor jou geen leven meer was… maar je bent weer opgestaan, je kwam weer tot leven. Je werd slachtoffer van een levensbedreigende ziekte, je ging door een hel… maar je kwam er weer bovenop, het leven lacht je weer toe. Er kwam sleet op je relatie, je wist niet meer wat of hoe… maar er gloort weer licht, je pakt de draad van het leven weer op.

En dan is er nog de menigte die in stoet met de treurende moeder meetrok. Dat zijn de mensen – misschien ook wij – die een doods leven leiden, die het gevoel hebben levend begraven te zijn in de saaiheid van het alledaagse bestaan, in de grauwheid van uitgebluste idealen, in de hardheid van de hedendaagse wereld. Het zijn zij – misschien ook wij – die het spoor bijster zijn, richtingloos en doelloos ronddolen.
Het is te hopen dat die stoet van begrafenisgangers, net als in het evangelie, ook mogen aanlopen tegen het levensgezinde gezelschap van Jezus en de velen die met Hem meetrokken. Die velen zijn zij – hopelijk ook wij – die vanuit hun onverwoestbaar geloof in het leven andere mensen over hun dood punt heen helpen, die aan hun medemensen de smaak in het leven teruggeven. Zij – hopelijk ook wij – trekken, in het spoor van Jezus, anderen mee op weg naar de stad van leven.
Verrijzenis en opstanding in het hier-nu-maals? Ja, en daartoe zijn ook wij geroepen.
Marc Christiaens o.p.

Dit bericht is geplaatst in Onze preken. Bookmark de permalink.